is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

E. SCHEEPVAART.

In de boven gegeven schets van onze oude handelsbetrekkingen met Atjèh werd reeds opgemerkt, dat zij na 1660 niet veel meer te beteekenen hadden en na 1786 geheel ophielden. We hebben ook gezien, dat onze eerste handelsvloten krijgs- en handelsdienst moesten verbinden, om zichzelf te beschermen tegen de aanvallen van andere Westersche naties, of van de inboorlingen, waarmede men handel dreef, daar er toen nog geen zeemacht in onze Oost bestond.

Het valt buiten het bestek van dit overzicht, de historische ontwikkeling onzer Marine met betrekking tot Atjèh te schetsen. Slechts zij er aan herinnerd, dat bij het uitbreken van den Atjèh-krijg de drie haar samenstellende elementen: het auxiliair eskader, de Indische Marine en de Gouvernements Marine aanwezig waren.

De taak der zeemacht in de Atjèhsche wateren was in hoofdzaak twee-ledig:

1. Het rechtstreeks deelnemen aan de krijgsverrichtingen, hetzij zelfstandig, hetzij in samenwerking met het leger.

2. Het tegengaan van zee- en strandroof en van het invoeren van oorlogsmateriaal en opium; het blokkeeren der kust, waaraan ook was verbonden het tegengaan van de visscherij aan de kust met prauwen; het overbrengen van ambtenaren met diplomatieke zendingen belast; het beschermen der handelsvaartuigen tegen afpersingen en andere onrechtmatige handelingen van de zijde der Atjèhsche hoofden, het transport van vivres en andere behoeften, enz.

Was zij voor het eerste deel harer taak ten volle berekend, in het volvoeren van het tweede deel is de Marine meermalen te kort geschoten door gebrek aan getalsterkte en aan snelheid. Vooral in het blokkade-tijdvak was de dienst voor de Marine niet alleen uiterst moeilijk, maar ook hoogst onaangenaam. „Men verplaatse zich in gedachten op den kruiser" — zoo schreef de oud-schout bij nacht H. Dyserinck — „die de eene maand voor, de andere na, dag in dag uit in eenig kustgedeelte bewaakt van slechts zes tot twaalf uren gaans, zoo overdag als des nachts van boord en uit de sloepen steeds speurend naar visschersvaartuigen, die hun bedrijf nabij de kust in zee uitoefenen, naar prauwen groot of klein, die uit de kreeken of rivieren ontsnappen, om zich naar een ander punt van de kust te begeven, of den oversteek te wagen naar de eilanden of den overwal van Malaka en naar handelsvaartuigen, die beproeven hun smokkelwaar veilig door de blokkade-linie heen aan wal te brengen" ').

Ook de transportdienst ter zee ten behoeve van de krijgsmacht te velde, was aan de Marine toebedeeld, en stond onder het toezicht van den commandant der zeemacht in de Atjèhsche wateren, die in de eerste jaren van den Atjèh-oorlog den ambtstitel droeg van commandant der maritieme middelen en den rang had van kapitein ter zee.

1) Zie het hfdst. „Marine" in het gedenkboek Nederlandsch Indië onder het regentschap van Koningin Emma (1898) p. 321. Behalve in dit opstel vindt men nog een kort en helder overzicht van het belangrijk aandeel, dat de zeemacht in het beloop van den Atjèh-oorlog heeft gehad, in het door den vice-admiraal N. Mac Leod geredigeerde artikel „De Marine" in het door „Het Nieuws van den dag" in hetzelfde jaar uitgegeven gedenkboek: „Een halve eeuw 1848-1898" dl- I, p. 149 vg.