is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bireuën en te Takéngön; men betaalt dan voor een enkele reis langs den Gajöweg ƒ 60 a ƒ 70, op en neer ƒ 105—ƒ 120. Keert zulk een auto leeg terug, dan wordt ook door Inlanders daarvan gebruik gemaakt tegen veel lager tarief.

Op de Westkust zijn alleen te Meulaböh auto's te huren naar Koeala Bèë,

Djeuram en Lam Ië.

Van Medan uit heeft men een door de Deli-spoor geëxploiteerden autodienst over Brastagi naar Kaban Djahé, waarvan zoowel door Europeanen als Inlanders wordt gebruik gemaakt. Te Kaban Djahé kan men een karretje of particuliere auto inhuren, om de reis naar Koeta Tjané te vervolgen.

De gewone huurauto's hebben, niet minder dan de autobussen, de gunst der bevolking stormenderhand veroverd; bij allerlei feestelijkheden wordt er een druk gebruik van gemaakt. Op den feestdag na afloop der Vasten bijvoorbeeld is er te Koeta Radja voor Europeanen geen auto te bekomen.

Over het gebruik van olifanten als lastdieren in dienst van het leger werd vroeger reeds een en ander medegedeeld (dl. I, p. 193). Er zijn er thans (1922) nog 11 in gebruik. Twee zijn er te Koeta Radja gestationneerd. Deze beide dieren dienen uitsluitend om zware lasten te trekken. Het grootste, een bijna volwassen dier, kan met gemak een vracht van 6000 K.G. voortbewegen. Waar de constructie der door hen getrokken karren slechts een gewicht van 3000 K.Q. toelaat, wordt deze maximum-arbeidsprestatie alleen in dringende gevallen verricht door twee karren achter elkander te bevestigen.

De overige 9 olifanten bevinden zich op de marechaussee-posten Lam Meulö en Tangsé. In het eerste bivak zijn er 6, in het tweede 3. Zij dienen voor den opvoer van de benoodigdheden voor de posten Tangsé en Geumpang. Indien de toestand van den weg het toelaat, kunnen de grootste dezer dikhuiden een gewicht van 800 K.G. vervoeren, gemiddeld is de belasting 300 a 400 K.G.

c. Reisvergunningen voor Inlanders.

Na de verschillende vervoermiddelen te hebben nagegaan, dient nog terloops te worden gewezen op de bepalingen, die de vrijheid van reizen der Inlanders regelen. Allereerst zij dan herinnerd aan het passenstelsel, het welbekende controle-systeem uit vroegere jaren. Reeds in 1875 kwam voor Groot Atjèh zulk een stelsel tot stand, dat echter weinig aan het doel heeft beantwoord. De eerste regeling voor het geheele gewest is die van Stbl. 1898 N°. 141. Hoewel daarop vaak, en niet ten onrechte, veel is afgegeven, dient toch niet over het hoofd te worden gezien, dat het reispassen-systeem voorheen voor het bestuur een niet te ontberen hulpmiddel is geweest. Eerstens stelde het de ambtenaren in de gelegenheid, om de ongewenschte „gasten" uit hun ressorten te weren en hen, die bepaalde redenen hadden, om legitimatie bij bestuur of politie te ontwijken, te achterhalen, wegens het ontbreken van een reispas, of hun de reisvergunning eenvoudig te weigeren. Maar ook was het passenstelsel een contröle-middel bij de inning der belastingen en het vorderen van heerendiensten vaak onmisbaar, waar van de hoofden nog weinig steun te verwachten was bij de toepassing van deze bestuursmaatregelen.

6