is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

één of van beide handen dragen, bijv. een bord met eten, een bakje met sirihbladeren en dergelijke; seuöti (G: mëndjoedjoeng) = op het hoofd dragen. Dit is bij de Atjèhers, zoowel bij mannen als vrouwen, de meest gewone wijze van dragen, vooral van zware vrachten. Als men de vrouwen met haar koopwaar marktwaarts ziet gaan, dragen ze die steeds in fieren gang op het hoofd. De doodkist wordt in Atjèh door twee man op het hoofd grafwaarts gedragen. In het Gajöland is deze draagwijze bij mannen uitzondering en bij vrouwen geheel ongebruikelijk.

Bij vervoer van goederen over grooten afstand, of wanneer die goederen uit veel deelen samengesteld zijn, wordt gewoonlijk van draaggereedschap gebruik gemaakt.

Goelam heet in Atjèh het dragen van een vracht met behulp van een draagstok (geunoelam, Mal.: pandagang, Jav. Mal.: pikoelan) over den schouder, zooals men wel mannen ziet doen.

De Gajö legt over den rechterschouder soms een stok (önggal = Atj.: oenggaj), om een op den linkerschouder gedragen schoudervracht van achteren te steunen. Wordt er meer dan één draaghout gebruikt, en zijn er dus meerdere dragers tegelijk noodig, dan noemt men dit piköj, of: oesoeng (G: nènggöl), bijv. bij het dragen van een draagstoel (ajön, of: oesoeng, G: pënènggöl), van een versierde baar (peurakan, G: përarakön, of: tëratac) om eetwaren te vervoeren, enz. De meest gewone beteekenis van het Atjèhsche goelam, waaraan het Gajüsche narang beantwoordt, is echter het dragen op den schouder zonder draagstok, bijv. van landbouwwerktuigen, een zak met rijst, peper of pinang, een stapel kain's, bamboe, hout, kokers voor drinkwater, enz.

Voor het dragen van een kind op den schouder, bijv. bij het doorwaden van een rivier, bezigt de Gajö het woord mëndjoelnang, of: mëndjëlnang. Dit geschiedt zóó, dat het eene beentje vóór de borst, het andere op den rug van den dragende bengelt, terwijl het kind dengeen, die het draagt (meestal een man, zelden een vrouw), bij het hoofd vasthoudt.

Sandang, of: sanang (G: njandang, Mal.: manjandang) = het dragen onder den arm, met behulp van een touw of draagband over den schouder. Aldus draagt bijv. de jager zijn geweer, de visscher zijn vischmand, de timmerman zijn dissel, enz.

Meuamböng (G: bëramboeng, of: bërdjangkat) = het dragen op den rug, met behulp van een draagmand (amböng, G: id., Alas: id., of: randjong)'), voorzien van een drietal rotan banden (G: djangkat, Alas: nali randjong), waarvan de middelste (in het Alasland nali toeloeng genoemd) tegen het voorhoofd van den drager steunt, terwijl zijn armen door de beide andere worden gestoken. De draagkracht is hierbij dus over rug, schouders en hoofd van den drager verdeeld. Om het schaven der vracht langs den rug te verhinderen, bezigt

1) Een beschrijving van zulk een stevige, rechthoekige en naar boven wijder uitloopende mand, vindt men in den Catalogus v. 's Rijks ethnogr. museum dl. VI, p. 115. Voor afbeeldingen zie A. L. van Hasselt's ethnogr. atlas v. Midden-Soematra PI. 74, fig. 1, Het Gajöland de plaat tegenover p. 384 en W. Volz: Nord-Sumatra dl. II, p. 216.