is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Treedt de jager het bosch in, dan tracht hij zich eerst de gunst der woudgeesten te verzekeren door hun, bijvoorbeeld onder het aanbrengen van een sirihpruim, evenals de visscher dit tegenover de gevreesde machten van het water doet, voorspoed te vragen voor zijn werk. De keuze van den dag is ook hierbij natuurlijk van belang. Gaat men bijvoorbeeld des Woensdags het gebergte in (oe glé), dan is het gevaar voor ontmoeting van tijgers zeer groot.

De jager, die met zijn slagwapen het jachtdier dwars over zijn lengte treft (nengkah lintang), geldt als ongeluksvogel; om de slechte gevolgen zijner dwaling af te wenden, moet hij zijn wapen voor eenige avonden aan den pawang overgeven, om er de rijst mede te roeren, die tot voeder voor den jachthond bestemd is. Onderweg mag de jager zijn lans niet dwars op de door hem gevolgde richting dragen; anders vlucht het wild weg (Het Gajöland t. a. p. blz. 359).

I. BOSCHEXPLOITATIE 1).

Dit begrip omvat zoowel den houtaankap als de inzameling van boschproducten. Over het laatste werd reeds gehandeld in het eerste deel van dit werk, aan den houtaankap zij thans dus nog een korte beschouwing gewijd.

Tot 1913 bleef het boschgebied in het gouvernement Atjèh en Onderhoorigheden verstoken van deskundig boschbeheer en berustte het toezicht geheel bij de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur.

In de afdeelingen Groot Atjèh, Pidië en Noordkust van Atjèh kwam nog geen aankap van hout voor. Moet voor de beide laatstgenoemde afdeelingen de reden hiervan hoofdzakelijk gezocht worden in het moeilijk transport, voor Groot Atjèh is de inferieure kwaliteit der houtsoorten, welke de bosschen daar opleveren, daarvan de oorzaak. Men vindt den houtaankap dus alleen in de afdeelingen Oost- en Westkust van Atjèh. Slechts in Singkel zijn de bosschen domein, elders liggen ze in het Zelfbestuursgebied.

Volgens het Gouvernements Bt. 27 Augustus 1904 N3. 35 (Bb. 6075) is het hoofd van gewestelijk bestuur gemachtigd, tot de uitgifte van concessiën tot boschexploitatie, zoowel in het rechtstreeks bestuurd gebied als in de zelfbesturende landschappen, waar het recht tot het verleenen van zoodanige concessiën bij het Gouvernement berust2). Deze concessiën worden gegeven voor hoogstens 30 jaar.

öjöd (boomwortel) enz. Zie Dr. G. A. J. Hazeu in het Tijdschr. Bat. Gen. v. K. en W. dl. 46, p. 291 vg. en de daar opgegeven literatuur. Dergelijke taboenamen voor dieren komen ook buiten onzen Archipel schier overal voor, zie de aangehaalde dissertatie van A. J. Portengen p. 112 vg. en J. G. Frazer: Taboo and the perils of the soul p. 396 vg. en 410 vg.

1) Vgl. daarover de Jaarverslagen van den Dienst van het Boschwezen in Ned. Indië, de Koloniale Verslagen en de Jaarboeken van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel in Ned. Indië. Verder de voordracht van W. Versluys over Het boschwezen ter Sumatra's Westkust, Tapanoeli en Atjeh, in Tectona jg. 13 (1920) p. 160 vg. en de Atjèh-monographie, verschenen als afl. 2 van dl. II van de „Mededeelingen v. h. Encycl. Bureau" p. 176 vg.

2) Omtrent de landschappen onder korte verklaring, zooals in de Atjèhsche Onderhoorigheden, werd vroeger aangenomen, dat de zelfbesturen het concessiewezen (mijnrecht, landbouwconcessiën en boschexploitatie) stilzwijgend aan het Gouvernement hadden afgestaan. Voor