is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de schepen van de Koninklijke Paketvaartmaatschappij werden gebracht en het hout in hoofdzaak naar Oelèë Lheuë brachten. Van de ingevoerde Chineesche werklieden gingen velen dood door malaria en andere ziekten en de exploitatie dreigde met de geringe technische hulpmiddelen te verloopen, daar de best bereikbare stammen reeds gekapt waren. Men zag in 1906 de noodzakelijkheid in van aanleg van afvoerwegen naar het binnenland.

De heer Scheuer bleef intusschen niet de eenige aanvrager van houtconcessies op het eiland. Ook de heeren C. G. Vattier Kraane en C. de Lozanne vroegen in 1905 concessies aan voor houtexploitatie; de eerste deed in 1907 zijn concessies aan den heer Scheuer over en die van den laatste werden in 1908 overgeschreven op den heer J. G. Goethals.

In 1907 werden de concessies Scheuer overgeschreven op de met ingang van 1 November 1906 gecreeërde Atjèh-Boschexploitatie-Compagnie (de A. B. C., directie de Javasche Boschexploitatiemaatschappij, voorheen P. Buwalda & Co.). Deze vroeg nog eenige concessies aan en kon toen exploiteeren over de geheele Zuidelijke helft van het eiland. Gedurende de jaren 1907—1910 voerde de A. B. C. gemiddeld 1000 M3 per jaar uit. Er werd in die jaren meer gekapt dan uitgesleept. Op de exploitatie werd verlies geleden. Men zag in, dat de exploitatie, in het klein gedreven, nooit voldoende loonend zou zijn. Zoo was men er reeds in 1909 op bedacht, om de exploitatie in het groot te gaan drijven met alle moderne hulpmiddelen van kap-, sleep- en zaagtechniek. De voornaamste reden, die voor het wagen van de millioenen voor het installeeren van het grootbedrijf noodzakelijk moest gelden, werd gevonden in de situatie van het bedrijf van de Javasche Boschexploitatie (de J. B. E.) zelf op Java. Het djatiehout dreigde in de toekomst niet meer zoo gemakkelijk en zoo goedkoop verkregen te kunnen worden, als dit tot toen nog het geval was geweest. Wat was juister gezien, dan dat de J. B. E. zich van dit Java-bedrijf meer onafhankelijk wilde maken en de beschikking wilde verkrijgen over veel en goed hout buiten Java. Er werd dus besloten, om het Atjèh-bedrijf in het bedrijf van de J. B. E. op te nemen en de exploitatie verder in het groot voort te zetten. In 1911 werden dus alle concessies (totaal 19 stuks met een oppervlakte van + 54.000 H.A.), omvattende de Zuidelijke helft van Simaloer, met uitzondering van de kuststrook, overgeschreven op de J. B. E.

Eind 1911 begon de heer Goethals, die de exploitatie van het begin af onder zeer moeilijke omstandigheden geleid had, te onderhandelen, om zijn concessies (tot een 12-tal gestegen) in het Noordelijk gedeelte van hetzelfde eiland in te brengen in een groote maatschappij. Zulks gebeurde in 1912, toen deze concessies werden overgeschreven op de te 'sGravenhage gevestigde Houtaankapmaatschappij Noord-Simaloer met dezelfde directie als de op Java sedert lange jaren werkzame Nederlandsch-Indische Houtaankapmaatschappij.

In Februari 1917 droegen de Nederlandsch-Indische Houtaankapmaatschappij en de Javasche-Boschexploitatiemaatschappij haar ondernemingen in Nederlandsch Indië over aan twee dochter-maatschappijen: de Vereenigde Javasche Houthandelmaatschappijen en de Vereenigde Indische Boschexploitatiemaatschappijen. De eerste — ook kortweg de „Javasche" genoemd — nam het bedrijf op Java over,