is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle of een deel der heerendienstplichtigen van eenige Inlandsche rechtsgemeenschap in de gewesten buiten Java en Madoera o. m. overeenkomsten te sluiten omtrent den afkoop van heerendiensten en om, voor streken, waar slechts een individueele neiging tot afkoop blijkt, deze heerendienstplichtigen ieder afzonderlijk, telkens voor een bepaald tijdvak, tegen betaling van zekere geldsom vrij te stellen. Voorschriften ter uitvoering van die ordonnantie zijn gegeven bij Bb. 9111. Het Gouvernements Bt. 7 Juli 1919 N°. 63 (Bb. 9246) bepaalde, dat vorenbedoelde afkoopregeling ook toepasselijk zou zijn voor het gewest Atjèh en Onderhoorigheden. In 1919 werd met algeheelen afkoop een proef genomen in het landschap Peureula' en in de onderafdeeling Lhö* Nga in het rechtstreeks bestuurd gebied. In 1920 en 1921 werd op den weg van uitbreiding van den algeheelen afkoop voortgegaan, zoodat thans reeds in een zeer groot deel van het gewest geen heerendiensten meer verricht worden, n.1. in de geheele afdeeling Groot Atjèh en in de onderafdeelingen Sigli, Meureudoe, en een groot deel van Lhö Soekön, Idi, Langsa en Tëmiang, terwijl in verschillende andere plaatsen drang ontstond naar algemeenen afkoop, zoodat ook daar in de toekomst de afkoop zal komen. De afkoopprijs is niet hoog gesteld, n.1. ƒ 3 per persoon per jaar. De ontvangen gelden worden óf in 's Lands kas öf in de landschapskassen gestort en geheel gebruikt voor de betaling van de vervangende werkzaamheden voor den heerendienstarbeid. In Mei en Juni 1920 heeft de adjunct-inspecteur van het bureau agrarische zaken en verplichte diensten H. Kool, op verzoek van het gewestelijk bestuur, in het gewest een uitgebreid onderzoek gehouden naar het instituut der heerendiensten. Het rapport zijner bevindingen is ons niet onder de oogen gekomen.

Zeker zal in de toekomst hulp van de Regeering noodig blijken, om afschaffing van heerendiensten in het gansche gewest mogelijk te maken. In de dicht bevolkte ressorten zal een afkoopregeling tegen een binnen ieders bereik vallend bedrag geen moeilijkheden ondervinden, doch in schaars bevolkte streken, waar elke man naar verhouding een veel grooter aandeel weg te onderhouden heeft dan elders, daar zal het afkoopbedrag zeker hooger zijn dan ƒ 3 per persoon per jaar. Voor zulke streken zal door de Regeering wel een hoofdgeld naar draagkracht moeten worden overwogen en, als 's Lands geldmiddelen het toelaten, het ontbrekende uit 's Lands schatkist moeten worden bijgepast.

Een noodzakelijke aanvulling van de ordonnantie in Stbl. 1918 N°. 772 is de Hoofdgeldordonnantie voor de Buitengewesten (Stbl. 1921 ND. 225). Ze is bestemd van kracht te worden verklaard voor streken, waar de afkoop reeds eenige jaren op vrij groote schaal pleegt te geschieden, zoodat omtrent den wensch der bevolking, den heerendienstplicht door een vordering in geld vervangen te zien, geen twijfel meer bestaat ').

1) Zie Koloniaal Verslag 1920 p. 46 vg., ook voor de algemeene beginselen der Hoofdgeldregeling.