is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waardigheidsteekenen der Soeltan's.

streken van den Archipel '), of zij dus ook in Atjèh beschouwd werden als de dragers te zijn van magische krachten, welke de vorst slechts genoot, omdat en zoolang hij die voorwerpen onder zich had, moeten we in het midden laten. In de literatuur is daarover, voorzoover ons bekend, niets te vinden. De omstandigheid, dat ook Dr. Snouck Hurgronje er met geen woord melding van maakt, wettigt o. i. het vermoeden, dat zij in de Atjèhsche volksconsciëntie nimmer een belangrijke plaats hebben ingenomen.

Wanneer de Atjèher de waardigheidsteekenen zijner Soeltan's opsomt, dan noemt hij na de boven besproken tjab sikoereuëng dadelijk de alam tjab peudeuëng en bedoelt dan met de laatste (ook: alam Radja genoemd) de rijksvlag. Deze vertoonde een rood veld, waarop in wit katoen het bekende dubbele zwaard van den Profeet (döj paka = Arab.: dzoe 'l-faqar), dat volgens de overlevering later op 3A1I zou zijn overgegaan J). Dan had men nog de geheel roode krijgsvlag (alam mirah, zie dl. I, p. 316) en de effen witte vredesvlag (alam poetéh, zie dl. I, p. 365). Moesten er in de Atjèhsche burgeroorlogen lijken of gewonden van het slagveld worden weggehaald, waarmede gewoonlijk een of andere oelama belast was, dan ging dit gepaard onder dekking van een witte vlag. Deze was ook het teeken van onderwerping (alam ta lö ). In eigenlijk Atjèh was het de panglima prang, die de oorlogsvlag droeg (dl. I, p. 314), in het Gajöland de djoearö prang. Soms was op deze vlag de Moslimsche geloofsbelijdenis (kalimah) geschreven.

Behalve bovenbedoelde officieele vlaggen hadden, vóór de vestiging van ons gezag in Atjèh, ook enkele der Onderhoorigheden een eigen vlag, waarnaast dan nog een aantal persoonlijke vlaggen (waardigheidsteekenen) werden aangetroffen, dat tijdens den Atjèh-oorlog aanmerkelijk aangroeide 3). In de „Zelfbestuursregelen 1919" (Stbl. N°. 822) is omtrent de verplichting tot het voeren van de Nederlandsche vlag niets bepaald. Die verplichting vloeit echter vanzelf voort uit Nederlands opperheerschappij4).

Na de verovering van den Kraton op 24 Januari 1874 leidde een samenloop van vroeger reeds besproken omstandigheden er toe Groot Atjèh in eigen beheer

1) Zie het art. „Rijkssieraden" in Ene. Ned. Indië (2de dr.) en daar aangegeven literatuur, waarbij o. a. nog is te wijzen op W. W. Skeat: Malay Magie p. 23—29, 39—42 en J. G. Frazer: The magical origin of kings (1920) p. 122 vg.

2) Zie over dit beroemde zwaard: Ene. Ned. Indië (2de dr.) i. v. doelpakar. Een afb. van de Atjèhsche rijksvlag, met dit zwaard in het midden, geeft Van Langen (Atjèh's Westkust p. 507). Nog zij er even aan herinnerd, dat de met een Sjfietisch opschrift voorziene afbeelding van 'AlT's zwaard op een veroverde vlag indertijd eenige geleerden tot de dwaling bracht, dat de Atjèhers ten deele Sjfieten zouden zijn (Zie Dr. A. W. Th. Juynboll: Een Atjineesche vlag met Arabische opschriften in Tijdschr. v. Ned. Indië 1873 II p. 325 vg.; 1875 II 471—476, met nadere toelichting van Prof. M. J. de Goeje: Atjeh, in de Nederl. Spectator N°. 49, 1873, p. 388).

3) Een indruk van de verscheidenheid daarvan geeft de Leidsche catalogus van 's Rijks ethnogr. museum dl. VI, p. 183 vg. Enkele afbeeldingen van locale vlaggen geven K. F. H. van Langen (Atjeh's Westkust p. 507) en J. A. Kruyt (Atjeh en de Atjehers p. 153, zonder opgave der beteekenis).

4) Zie de gedrukte Nota over politiek beleid en bestuurszorg II B (2de dr.) p. 68 vg.