is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Keudjroeën Toenöng, d. i. het tegenwoordige hoofd van de moekim Goenöng Meuïh. Zijn gebied werd grootendeels veroverd door een later door het bestuur erkenden usurpator (Teukoe É1 Meureubö), het hoofd der III Moekim's Tandjong Meulaböh (Babah Kroeëng, Manggi en Kintjö), welke momenteel door zijn overlijden door de imeum's zelfstandig worden bestuurd.

15. Keudjroeën Sampan. Dit hoofd had oorspronkelijk geen gebied; evenals de Keudjroeën Sampan van Seunagan kon hij wasé heffen van de langs de rivier per prauw overgevoerde producten. De titularis is overleden en zijn gebied (Pasi Djeumpa) tijdelijk gevoegd bij dat van Waki Balè.

16. Waki Balè. Ter verklaring van dezen titel bestaan allerlei overleveringen, waarbij echter klaarblijkelijk de phantasie grootendeels aan het woord is. Thans is hij de erfelijke titel van het tegenwoordige hoofd van de II Moekim's Peureumeuë, het dichtst bevolkte en meest welvarende gedeelte van het landschap Kawaj XVI.

Werd hierboven gezegd, dat Keudjroeën Tjhi" van Meulaböh oorspronkelijk geen bestuursmacht had, door ons bestuur is daarin verandering gebracht. Wij begiftigden hem als loon voor zijn diensten met territoriaal gezag, niet alleen over de hem reeds onderworpen bovengenoemde drie ctóö'-schappen, doch ook nog over een tot dusverre niet direct onder hem staand deel van het stroomgebied der Kroeëng Meureubö en wel op grond van de volgende overwegingen: „Het beschouwen van het Hoofd van de Kawaj XVI als landschapshoofd van bedoeld gebied heeft nooit tegenstand ondervonden; het was bovendien de basis voor de wose-regeling van 1902, waarbij al de hoofden van het gebied van de Kroeëng Meureubö een aandeel kregen van de inkomsten aan hun algemeen hoofd toegekend". Bij Gouvernements Bt. 6 Juni 1911 N°. 11 werd bepaald, dat het vroeger door ons als Meulaböh aangeduide landschap voortaan zou worden genoemd Kawaj XVI, in werkelijkheid dus heel iets anders dan de federatie der Kawaj XVI, waarvan sprake was in de sarakata van Pö Rachman, en waarover Keudjroeën Tjhiu belastinggaarder was.

Voorts dient nog vermeld, dat aan de onderafdeeling zijn toegevoegd eenige gebieden van de Keudjroeën's der voormalige Kawaj XII n.1.:

1. Het gebied van Keudjroeën Pameuë (waarbij gevoegd is het verlaten landschap

Anöë).

2. Het gebied van Keudjroeën Toengköb (erfelijke naam Keudjroeën Doelö*), waarbij is gevoegd het verlaten landschap Ara.

3. Het verlaten landschap Reungeuët, thans gevoegd bij het tot de Kawaj XVI behoorend gebied van Teukoe Tandi Langö.

Gaan we het bestuur der tot de onderafdeeling behoorende negen landschappen in zijn tegenwoordige samenstelling thans nog even na.

Aan het hoofd van het landschap Wöjla ') — het meest Noordelijke van de onderafdeeling, in hoofdzaak omvattende het stroomgebied der Kroeëng Wöjla —

1) Vgl. over dit landschap de nota van toelichting van 1900 (Bijdragen T. L. en Vk. v, Ned. Indië dl. 55, 1903, p. 209 vg.) en die van 1913 (niet gepubliceerd).