is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

best zijn die aanvullingen op het werk van Prof. Snouck Hurgronje verwerkt in de gewestelijke monographie, welke als aflevering 2 van dl. II van de „Mededeelingen" van het Encyclopedisch Bureau is verschenen. Voor de detail's daarnaar verwijzende, zij hier slechts op een paar hoofdpunten gewezen.

Vooreerst werd reeds vermeld (p. 187), dat waar het gezag der Këdjoeroen's, bij onze komst in het Gajöland, tot een minimum geslonken was en zij in werkelijkheid maar weinig van landschapshoofden meer hadden, ons bestuur er al dadelijk op aanstuurde, van hen weer ware landshoofden te maken, waaraan de stamhoofden behooren ondergeschikt te zijn. Van de laatsten heet het in art. 2 der Instructie voor de onderafdeelingschefs in de Gajö- en Alaslanden (gecit. dl. I, p. 324 nt. 3): „De stamhoofden in de Gajölanden zijn de eigenlijke volkshoofden en daarom moet hun rechtmatige invloed op hun stam niet verloren gaan. Integendeel zij moeten verantwoordelijk worden gesteld voor alles, wat hun stam betreft. Daarom moeten bevelen van het Bestuur steeds gegeven worden aan de stamhoofden middels het landschapshoofd — den Kedjoeroen — hetwelk zich echter heeft te onthouden van rechtstreeksche inmenging in de intieme aangelegenheden van een anderen stam of geslacht dan het zijne. Het streven moet zijn van de stamhoofden ook te maken territoriale hoofden, districtshoofden, ondergeschikt aan het landschapshoofd".

Vervorming van het genealogisch bestuur tot een zuiver territoriaal bestuur — zóó luidt dus het parool! De weg, waarlangs men dat doel hoopt te bereiken, werd hierboven (p. 187) aangegeven. Door het onderling uitwisselen van verspreid wonende blah-leden te bevorderen, tracht het bestuur langzamerhand te komen tot goed afgeronde gebiedsdeelen voor elk hoofd eener genealogische eenheid, om daaruit ten slotte een zuiver territoriaal bestuur te kunnen opbouwen ')•

In de onderafdeelingen Gajö Loeös en Sërbödjadi is men in dat opzicht een belangrijken stap verder gevorderd dan in de onderafdeeling Takéngön, waar het stambestuur nog grootendeels in tact is.

Dat zich bij de omvorming van het bestuur allerlei moeilijkheden voordoen, spreekt vanzelf. Zoo waren de stammen, die de eerste hoofden leverden, niet zelden in meerdere stukken verdeeld, zoodat de rechten op de erfelijke waardigheid door verschillende personen op elkaar werden betwist. Een voorbeeld hiervan leveren de Kedjoeroen's van Boekit, die, hoewel vanouds een voornaam geslacht vertegenwoordigend, hun stam toch niet voor verbrokkeling konden behoeden. Drie takken traden daarbij vooral op den voorgrond n.1.: Boekit Lah, Boekit Ewéh en Goenöng. Hoewel door ons bestuur is beslist, dat de vertegenwoordiger van Boekit Lah voortaan de rechtmatige drager van den Këdjoeroen-tite\ zal zijn, gevoelen de beide andere geslachten zich daardoor nog altijd achtergesteld. De tak Boekit Ewéh acht zich toch geheel gelijk aan Boekit Lah en beschouwt dus Rödjö Boekit Ewéh als den eigenlijken Kedjoeroen. Hierbij komt nog, dat

Kedjoeroen Boekit bestaat een (niet gepubliceerde) nota van toelichting van 1912 en van dat van Kedjoeroen Pëtiambang (Gajö Loeös) een dergelijke (niet gepubliceerde) nota van 1911. Van de andere Gajösche landschappen zijn ons geen nota's bekend.

1) Vgl. de aangehaalde Atjèh-monographie v. h. Encycl. Bureau p. 109, 114.