is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bestek van dit werk laat niet toe, ons verder met de Inlandsche rechtspraak bezig te houden. Alleen rest ons nog, om aan de hand der bovengenoemde, voor haar uitgevaardigde, regelingen een schets te geven van de Inheemsche rechtspraak, zooals die wordt uitgeoefend:

a. in het rechtstreeks bestuurd gebied, krachtens de Moesapat Ordonnantie van Stbl. 1881 N°. 83, gewijzigd en aangevuld bij de staatsbladen 1904 N°. 472, 1905 N°. 430, 1906 N°. 217, 1907 N°s. 49 en 477, 1910 N°. 299 en 1917 N°. 497 art. 19;

b. in het zelfbestuursgebied, krachtens de Moesapat Ordonnantie van Stbl. 1916 N°. 432, gewijzigd en aangevuld bij de staatsbladen 1917 N°. 497 art. 19 en 1918 N°. 481.

Daartoe nemen we achtereenvolgens in beschouwing, de samenstelling en de bevoegdheid van de rechtsprekende organen, het toe te passen recht en de rechtspleging zelf.

b. Organen der inheemsche rechtspraak.

1. Samenstelling.

In het rechtstreeks bestuurd gebied.

De Moesapat Ordonnantie van 1881 houdt een tweeledige organisatie in, n.1. eenerzijds rechtbanken {moesapat's) en anderzijds alleensprekende rechters (districtshoofden). In elke onderafdeeling is een moesapat gevestigd (art. 2). Zij wordt voorgezeten door het Hoofd van bestuur der onderafdeeling. De assistent-resident van Groot Atjèh is bevoegd, elke moesapat in zijn afdeeling voor te zitten (art. 4, luidens Stbl. 1904 N°. 472). Ingeval van afwezigheid, belet, of ontstentenis van den voorzitter, voorziet de gouverneur tijdelijk in de waarneming van diens functiën (art. 7). De voorzitter heeft slechts een raadgevende stem (art. 6) „niet omdat men vreest, hem te veel invloed te geven, door ook hem een gewone stem te laten uitbrengen, maar omdat het niet aangaat, hem tot zekere hoogte mede aansprakelijk te maken voor vonnissen, niet gewezen in naam des Konings, niet berustende op wettelijk bewijs, enz." (Bb. 3775 p. 312).

Leden van de rechtbank zijn de districtshoofden van de onderafdeeling, die het ressort van de moesapat vormt. In de drie sagi's van Groot Atjèh is het sagihoofd mede lid van de moesapat of: moesapat's binnen zijn gebied. Zoo noodig kunnen ook andere voorname personen, behoorende tot de inheemsche bevolking, door den gouverneur tot lid van de rechtbank worden aangewezen. Deze heeft tevens de bevoegdheid, om, bij gemotiveerd besluit en voor bepaalden tijd, leden van de moesapat te schorsen (art. 4 luidens Stbl. 1904 N°. 472).

De moesapat wordt bijgestaan door een Inlandsch officier van justitie (djaksa), als hoedanig optreedt de Inlandsche schrijver bij den onderafdeelingschef. Onder de leiding van dien Europeeschen ambtenaar (d. i. dus van den voorzitter), is de djaksa belast met het opsporen en vervolgen van alle misdrijven en overtredingen. Op de terechtzitting in strafzaken brengt de djaksa zijn advies uit omtrent de schuld van den beklaagde en de op te leggen straf (art. 8 luidens Stbl. 1904 N°. 472). Hij is echter, evenmin als de voorzitter, stemhebbend lid van het college.