is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der heilige wet (hoekom, G. en Alas: id., Arab.: hoekoem){), welke beide elementen, volgens een Atjèhsch spreekwoord, onafscheidelijk zijn (hoekom ngöti adat hati djeuët tjré)2). Volgens een ander gezegde is de adat de oudere-, de hoekom de jongere broeder. Hoewel naar de Wet het plaatselijk gewoonterecht slechts bindend gezag heeft, voorzoover de Wet zelf uitdrukkelijk daarnaar verwijst, bekleedt in de practijk — in Atjèh, zoowel als overal elders in den Islam — de adat toch den voorrang, zóó zelfs, dat de hoekom in werkelijkheid, afgezien van het godsdienstige leven in engeren zin, slechts het familieleven, en dat nog slechts ten deele, beheerscht3).

Wat het materieel strafrecht en het formeel recht betreft, is het adatrecht, zooals reeds opgemerkt, door het Gouvernements-strafrecht en het Gouvernementsprocesrecht verdrongen. Alleen het adat-privaatrecht is voor de inheemsche rechtspraak dus nog van practisch belang. Dit hebben we dus allereerst te bezien, daarna zullen het adat-delictenrecht en het adat-procesrecht in het kort worden nagegaan.

I. ADATPRIVAATRECHT.

a. Familie- en erfrecht.

1. Verwantschapsrecht.

„Het Atjèhsche verwantschapsrecht en daarmee samenhangend huwelijksrecht wordt hierdoor geteekend" — zoo schrijft Mr. C. van Vollenhoven t. a. p. dl. I, P- 176 — „dat het is gegrond op een parenteel huwelijk, met overblijfsels van moederrechtelijke en van vaderrechtelijke inrichting 4) en met Mohammedaansche op- en inzetsels".

Het Atjèhsche huwelijk is ouderrechtelijk: elk der echtgenooten behoudt, zooals we nader zullen zien, zijn eigen goed en het staande huwelijk gemeenschappelijk verkregene valt in de gemeenschap. De afstamming gaat noch door de dochters alleen, noch door de zoons alleen, maar door de kinderen van beiderlei kunne (Mr. C. van Vollenhoven t. a. p. dl. I, p. 176 vg.).

1) Vgl. Mr. C. van Vollenhoven t. a. p. blz. 9.

2) Zoo zegt men ook bij de Alassers: hoekoem roet adat ras, d. i. „wet en adat zijn één".

3) Deze secundaire beteekenis der Wet voor het adatrecht van Indië vindt men door Dr. C. Snouck Hurgronje uitvoerig en helder uiteengezet o. a. in: De Atjèhers dl. I, p. 12—17, 74—75, 98-99, 157, 166, 397, en dl. II, p. 297—308, 346—373 (The Achehnese I: 12—16, 72', 94—95, 153, 162, 362, II: 271—281, 314-338); Het Gajöland p. 81, 108, 319 en 321; Nederland en de Islam, 2de dr. 1915, p. 32 vg. Vgl. daarover verder Dr. Th. W. Juynboll's bekende handleiding van het Moslimsch recht p. 7—9, 262-263, 265 nt. en 310—314 en Adatrechtbundel dl. XII, p. 3 vg. Volgens een, in het gewest algemeen bekend, volksgezegde komt de adat van Pöteu Meureuhöm (waarbij men dan allereerst denkt aan Soeltan Iskandar Moeda) en de hoekom van Teungkoe Siah di Koeala (d. i. Abdoerra'oef van Singkel).

4) Zie over de kenmerken van moederrecht, vaderrecht en ouderrecht (ook aangeduid als: matriarchaat, patriarchaat en parenteel- of cognatisch stelsel) deze termen in het zakelijk register in dl. IV van Dr. Q. A. Wilken's „Verspreide geschriften" en verder: P. A. F. Blom, Kentrekken van het verwantschaps-, familie- en erfrecht bij de volken van Indonesië (proefschrift 1914) p. 12 vg.