is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het Alasland is de dapö veel lager dan in Gajö en varieert, buiten de daarbij behoorende adatgeschenken, van ƒ 40—ƒ 50, al naar gelang van den stand van den vader van het meisje.

Bij het Gajösche loonhuwelijk (angkap djandji) wordt de betaling opgeschort (p. 303) en bij het inlijfhuwelijk (angkap sah) betaalt de man slechts een kleinigheid, om aan den eisch der Mohammedaansche wet te voldoen (p. 303). Over de regeling van den bruidschat bij het schaakhuwelijk werd reeds gesproken op p. 307.

De bruidschat wordt bij Gajö's en Alassers bij het officieele huwelijksaanzoek vastgesteld. In het Gajöland moet in sommige streken (o. a. in Gajö Loeös) de uitbetaling daarvan (nimbang mas) hebben plaats gehad, vóórdat men tot het nöi böi overgaat, in andere streken geschiedt zij op den dag na de sluiting van het huwelijkscontract. In Alas heeft de betaling van den bruidschat plaats in den ochtend vóór het nangkoeh ngara1 door den simetoeö van den bruidegom aan de ouders der bruid (zie boven p. 331).

Op één bijzonderheid zij ten slotte nog gewezen n.1. deze, dat de aanbieding van den bruidschat, die immer in geld wordt voldaan, in Atjèh altijd vergezeld gaat van een weinig goud, of een gouden voorwerp. Men denke ook aan de aanbieding der këkas in Gajö (p. 330) en die van de radjö moholi in Alas (p. 331). Op de beteekenis van dit gebruik komen we later terug.

Huwelijksgoederenrecht ').

Het Atjèhsche huwelijksgoederenrecht betreft vooreerst eenige giften vóór, bij, of na het aangaan van het huwelijk. De voornaamste hiervan zijn de bruidschat en het verlovingsgeschenk, welker beteekenis reeds in hoofdzaken werd geschetst. Nevens allerlei andere geschenken, waarvan we de meeste in de vorige bladzijden leerden kennen als schijngeschenken, die weer door de tegenpartij met gelijkwaardige tegengeschenken worden gereciproceerd, valt nog te vermelden het ontmaagdingsgeschenk, door den Atjèher wel aangeduid als „belooning voor het openen van het kleed" (ha boeka seuhab). Gewoonlijk bestaat het uit eenige sieraden (een gordel, een polsketting en een vingerring), maar dikwijls ook uit een gave in geld (bij gewone lieden + ƒ 4), die d£ echtgenoot, na de eerste uitoefening der huwelijksgemeenschap, als morgengave onder het hoofdkussen zijner vrouw neerlegt2).

lichamelijke afwijking vertoont, maar dit alles gaat dan in het geheim en de betaling van de djinamèë heeft toch op de gewone wijze plaats.

1) Literatuur: De Atjèhers dl. 1, p. 356 vg., 396 vg. en 401 vg. (The Achehnese I: 327 vg., 361 vg. en 365 vg.); Mr. C. van Vollenhoven: Het adatrecht in Ned. Indië dl. I, p. 184— 187; Het Gajöland p. 273—276.

2) Volgens K. F. H. van Langen zouden, indien een Atjèhsch meisje, dat maagd heet, trouwt en de man in den nacht, waarin de huwelijksgemeenschap plaats heeft, bemerkt, dat zij dit niet meer is, ten teeken daarvan de bultzak en de kussens worden doorgesneden, opdat de vader van het meisje, dit ziende, de helft van den bruidschat teruggeve, om de verbintenis te bevestigen en er geen zaak uit te doen ontstaan (Wdbk. der Atjèhsche taal i. v. bikir). Waar het Atjèhsche meisje als regel reeds als schoolkind uitgehuwelijkt wordt en daarvóór zoozeer door de moeder van de andere sekse wordt gescheiden gehouden, zal het bovenbe-