is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schenkingen, die de kinderen van hun ouders ontvingen (peunoelang), worden bij de boedelverdeeling slechts eenigermate in rekening gebracht, alleen waar de schenking plaats had in den vorm van een contract (met aanbod en aanname) tijdens het leven van den schenker, worden ze bij de nalatenschap (peusaka) in mindering gebracht (vgl. De Atjèhers dl. I, p. 392 nt. 2 en p. 485 en dl. 11, p. 354, The Achehnese I: 357 nt. 6 en 438 en II: 321).

In de derde plaats betreft het huwelijksgoederenrecht het onderhoud van de vrouw gedurende de twee perioden, waarin men haar huwelijkstijd verdeelt. In de eerste periode, de wittebroodsmaanden (peutimang), waarin de vrouw volgens het adatrecht nog door haar ouders wordt onderhouden, is haar man slechts verplicht de biaja boeleuën voor haar ouders mede te brengen (zie boven p. 338). Gedurende de tweede periode, d. i. nadat de vrouw uitgezet is (ka mean&klèh), is de man verplicht, om haar voeding, kleeding, woning en bediening te verstrekken, overeenkomstig haar stand (zie boven p. 338). In de practijk rekent men echter die financieele plichten zelden streng uit; de Wet toch laat de echtgenooten geheel vrij, zooveel van hun rechten prijs te geven, als zij verkiezen. Alle onkosten der eerste bevalling komen vanzelf ten laste van de ouders der vrouw, immers voor iedere boengkaj, die de bruidschat groot is, rekent de peutimang-periode tot en met de geboorte van een volgend kind (p. 338).

In het Gajö- en Alasland kan men van een huwelijksgoederenrecht eigenlijk niet spreken, daar alles, tot de vrouw en kinderen toe, formeel van den man is. In werkelijkheid deelt zij echter met haar man in de goederengemeenschap (G: sara harëkat, Alas: sadö pëntjarin, of: sarikat) en na zijn dood bestaat die

rechtstoestand tusschen moeder en kinderen.

Bij een angkap-huwelijk is de toestand anders. In dat geval toch bezit de man hetgeen hij heeft, slechts als lid van de familie; wordt hij als zoodanig ontróuw, "door zich te verwijderen, dan blijft, hetgeen hem toebedeeld was, m handen der verlaten vrouw, die immers niet aan hem verkocht was (Het Gajo-

land p. 271).

De vrouw brengt ten huwelijk mede, al hetgeen ze van haar vader en andere naaste familieleden aan geschenken (één of meer rollen gevlochten matten, kookpotten, watervaten, kommen, borden, kleedingstukken, sieraden, vee, enz.) als uitzet (G. en Alas: tempah) medekreeg. Op die wijze komt een belangrijk deel van den bruidschat en van de pënirön (Alas: pindön, zie p. 346) weer in het jonge gezin terug. Bij welgestelden overtreffen die bijdragen (pënëmpah) den bruidschat soms vele malen, zoodat deze geheel het karakter van een „schijnkoop krijgt. Sterft de vrouw kinderloos, dan moet de tempah aan haar familie worden

teruggegeven. _ ..

De man brengt gewoonlijk, bij wijze van uitzet, allerlei van zijn vader ontvangen geschenken (G: pënösah) mede, zooals een stuk rijstveld,^ één of meer buffels een afzonderlijk woonvertrek met slaapplaats in zijn huis (pënösah batang roeang), en soms nog andere bezittingen. De aldus uitgezette (G: lèdnön, of: lènan = cfm. Atj. peungklèh) wordt in den regel geacht, het hem competeerend erfdeel van het goed zijns vaders te hebben ontvangen.