is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Erfrecht.

Tot de schulden der nalatenschap behooren verder nog het boedelrecht (ha pra é) en eindelijk die, voortspruitende uit verbintenissen, door den erflater tijdens zijn leven aangegaan. De crediteuren moeten hun vorderingen indienen op den sterfdag (oeröë maté), daar zij anders niet worden geaccepteerd.

Is de nalatenschap niet, of slechts net, toereikend, om de schulden te-voldoen, dan komt het niet tot vererving. Hebben de erfgenamen geen recht op de door den erflater nagelaten goederen, dan na de volledige afdoening zijner schulden, omgekeerd zijn zij ook niet aansprakelijk voor de onbetaalde schulden. Wordt het credit van den boedel door het debet overtroffen, dan worden de schulden naar evenredigheid verminderd. Vroeger kwam het wel voor, dat een schuldeischer de begrafenis trachtte tegen te houden (theun, of: teuheun)'), door bijvoorbeeld schrijlings over de doodkist te gaan zitten (gidoeë kreunda), om de nabestaanden tot betaling zijner vordering te dwingen.

Wat, na aftrek der schulden, van de nalatenschap mocht overblijven, vermeerderd met de geïnde vorderingen, vererft haast altijd volgens versterfrecht. Het voorschrift der Mohammedaansche wet, dat men bij testament (Arab. wagijjah) over ' van zijn vermogen mag beschikken, en wel in den vorm van legaten, en ten behoeve van hen, die geen versterf-erfgenamen zijn, wordt in Atjèh algemeen erkend, maar zeer zelden toegepast. Maar wèl komt het vaak voor, dat de Atjèher, die gevoelt spoedig te zullen sterven, zijn uitersten wil (zie boven p. 353) kenbaar maakt omtrent de wijze, waarop hij zijn goederen het liefst onder zijn erfgenamen verdeeld zag, de plaats waar hij begraven wenscht te worden, enz. Zulke laatste opdrachten geschieden nooit schriftelijk, maar wèl steeds in tegenwoordigheid van getuigen, waaronder veelal de dorpsautoriteiten. Zij worden uit piëteit meestal opgevolgd, al hebben zij volgens de Wet geen bindende kracht (vgl. De Atjèhers dl. I, p. 310, The Achehnese 1:287).

Zooals bekend, is het Moslimsche erfrecht (hoeköm pra'é, Arab.: cilm al-fariFidh) tweeledig. Men heeft vooreerst de koranische erfgenamen (peureulèë, Arab.: ahl al-fardh), dat zijn bepaalde personen (vooral vrouwen), die in den Koran uitdrukkelijk als erfgerechtigd worden genoemd en aan wie een vast aandeel (praé, Arab.: fara^idh) in de nalatenschap wordt toegekend. In de tweede plaats de natuurlijke erfgenamen (oseubah, Arab.: 'agabah), dat zijn zij, die eerst in aanmerking komen, als de koranische erfgenamen hun vaste erfportiën hebben ontvangen 2).

Onder de koranische- zoowel als onder de natuurlijke erfgenamen zijn er sommigen, die elkander uitsluiten (pado!, Arab.: hadjb)3). Terwijl, om een aan Dr. Th. W. Juynboll's „Handleiding" p. 249 vg. ontleend voorbeeld te noemen, dochters in het algemeen tot de koranische erfgenamen behooren, gaat dit recht

1) Vgl. over dit gebruik bij andere volken in en buiten den Archipel Dr. G. A. Wilken's „Verspreide geschriften" dl. II, p. 404 vg.

2) Vgl. over het erfrecht dier koranische erfgenamen en der Cacabah de „Handleiding" van Dr. Th. W. Juynboll p. 248 vg.

3) Padö', moepad'o- — aan het gezicht onttrokken, verscholen; poepadöc iets aan het gezicht onttrekken.