is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gepaard (zie dl. 1, p. 342), en zij, die aldus uitgenoodigd zijn, komen nimmer met ledige handen, maar brengen altijd geschenken mede, hetzij een offerdier, of meestal eenig geld. De Atjèhers noemen die teumeuntoeë* (zie boven p. 325 en 338), de Gajö's pendaboeh. Wat de jongere bloedverwanten betreft, worden die teumeuntoeë weer met tegengeschenken (beuneuri) van ongeveer gelijke waarde, vermeerderd nog met een toeslag (tindéh), beloond. Bij overlijden worden in Atjèh alleen de aanverwanten van de(n) overledene uitgenoodigd (bij de bloedverwanten wordt met een eenvoudige kennisgave volstaan) en ook zij brengen altijd geldgeschenken (± ƒ 5—ƒ100) mede, die bij vertrek met een zelfden bijslag worden gerestitueerd. Wordt zulk een condoleantie-geschenk door een mannelijken verwant medegebracht, dan heet het kaphan kreunda (kleed voor de lijkkist), door een vrouwelijke: naléh, of: koedè, of: dangdang '). Neumè („hetgeen men medeneemt") en peuneue („hetgeen men opbrengt") heeten bij de Atjèhers de geschenken (ƒ0,50-/ 5 en meer), die volgens de adat door jongeren aan ouderen worden gegeven en later moeten worden gereciproceerd met toeslag (tindéh); ook verstaat men daaronder de geschenken, die de vrouwelijke kennissen bij haar kraamvisites voor moeder en kinderen mede brengen, en evenzeer die, welke men pleegt aan te bieden, als men voor het eerst in iemands woning komt (vgl. boven p. 338). Het zijn al deze en dergelijke adatgeschenken, die het huishoudelijk budget van het Inlandsch gezin zoozeer bezwaren, vooral als zij gepaard gaan met speculaties op tegengeschenken van grooter waarde, zooals gewoonlijk het geval is. We weten reeds (dl. 1, p. 258), 'dat het vooral het conservatieve vrouwelijke element is, dat — hoe zuinig overigens ook — met hand en tand aan die oude traditiën blijft vasthouden.

Brengt men voor de eerste maal een klein kind bij iemand aan huis, dan wil de adat, dat de laatste het kind een geldgeschenk, of een of ander sieraad, bijv. een ringetje geeft, dat dan later wordt ingelost; zulk een geschenk heet beuneuri göb („een geschenk van de menschen"). „Wanneer vader of moeder gedurende het eerste jaar met het kind op straat loopt en iemand hen ontmoet, die een praatje met hen maakt, en vraagt, het kind even op den arm te mogen hebben, dan is die verplicht het kind een geldgeschenk te geven" — schrijft Dr. J. Jacobs -). De boengöng djaröë is een huldeblijk (dus e. s. v. hadiah), be-

1) Deze namen varieeren naar den stand der gevers (geefsters) en dus ook naar de hoegrootheid der gaven. Bij geringen (oereuëng ikoe) heeten ze koedè (dt. I, p. 534), bij den middenstand (oercuèng peuteungahan): naléh (dl. I, p. 459), bij voornamen (oereuëng oelèë): dangdang (dl. I, p. 377). Deze namen, die hier geen zin hebben, zijn ontleend aan de verschillende wijzen, waarop de rijst wordt gebracht door de schoonmoeder aan de schoondochter, als deze voor de eerste maal zwanger is (vgl. De Atjèhers dl. I. p. 409, The Achehnese 1: 372).

2) Dit gebruik komt, zooals bekend, overal in onze Oost voor, ook bij heidensche stammen. Wanneer bijvoorbeeld de Toradja's een kind van een ander voor de eerste maal in de armen nemen, schenken zij het iets van zichzelf (bijv. een armring); deed men dit niet en werd het kind later ziek, dan zou men denken, dat degeen, die het in de armen heeft gehad, het kwaad heeft gedaan (Dr. A. C. Kruyt: Het animisme p. 37 nt.). In het algemeen is men bang voor kwade beïnvloeding van niet-huisgenooten, waarmede ook de algemeen voorkomende „vreemdelingenvrees" (xenophobie) samenhangt. „Een eigenaardigheid" — schrijft Dr. A. W. Nieuwenhuis — „die eigen is aan alle stammen van Centraal-Borneo, treft den reiziger in den