is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooten. Dit gijzelen van iemand wegens schuld heette mëniköt ken pri; subject was hierbij meestal een Atjèher van de Kust of een Gajö uit een andere streek, dan waar de debiteur woonde, aangezien een Gajö zelden zulk een maatregel nam tegenover een landgenoot uit een naburige kampoeng; object was öf de schuldenaar zelf, of een saudörö van dezen (Gajö Wdkb i. v. iköt). Dat schuldenaren, die niet bij machte waren, om hun schuld te betalen, zich wel jegens hun schuldeischers verbonden, die door arbeid te vereffenen, werd bij de bespreking van het pandelingschap (p. 259) reeds opgemerkt.

Lieden, die onwillig waren, de hun opgelegde boete te betalen, werden voorheen door sommige hoofden wel in de ruimte onder hun huis (joeb möh) gevangen gezet (De Atjèhers dl. I, p. 39, The Achehnese 1:38) — bij zware boeten was het veelal gevangenhouding in boeien (keunöng ranté), of ook wel in het blok (neunöh, of: pasöng), het gewone opsluitingsmiddel van krankzinnigen — totdat door of voor hen betaald was. Evenals doodschuldigen (bijv. wegens ontucht), die de berechting niet konden afkoopen, wel tot bedienden zonder loon (oereuëng salah) van den Oelèëbalang werden gemaakt, zoo werd deze maatregel ook wel toegepast bij onvermogen om opgelegde boeten te betalen (De Atjèhers dl. I, p. 124, The Achehnese I : 118). Iets dergelijks gold ook voor Gajö en Alas, waar de debiteur — onder den naam respectievelijk van djëmah salah en kala' mëroetang réjal — tot een soort lijfeigene van den Këdjoeroen werd gemaakt, totdat zijn schuld was afgedaan.

Een ander middel tot verzekering van het binnenkomen der boeten was de z.g. „akkerban" (langgéh oemöng, G: langis oemö, Alas: nglanggis djoemö)'), daarin bestaande, dat de Oelèëbalang in het rijstveld een staak, met een jong wit klapperblad in top, liet opstellen, als verbod aan den bezitter van het veld, om dit te bewerken. De ban duurde voort, zoolang de schuldige niet had betaald. Duurde dat lang, dan ging de Oelèëbalang er eerst toe over, het veld ten eigen bate te doen bewerken, en na eenige jaren tot inpalming. Dikwijls had opzettelijke provocatie plaats, om de gevallen van toeëigening te vermeerderen (De Atjèhers dl. I, p. 120 vg., The Achehnese I : 115). Van eenige Oelèëbalang's in Pidië, die thans uitgestrekte sawah's bezitten, heet het bijvoorbeeld, dat zij die aan dergelijke annexaties hunner voorvaderen te danken hebben.

Behalve als executiemiddel komt de akkerban, althans bij de Gajö's, nog in een ander geval voor. Zooals reeds vroeger opgemerkt (p. 368, 369, 371), hebben de geslachtsgenooten bij verkoop of verpanding van een rijstveld het recht van voorkeur. Is met die adat geen rekening gehouden, dan hebben zij het recht op die sawah beslag te leggen door het plaatsen van een staak (panta') op elk der vier hoeken van het veld. Vóór de zaak door de bevoegde macht onderzocht is, mag dan niemand daarop werken.

1) Langgéh beteekent hier: aanspraak maken op, iemand in zijn recht aantasten, usurpeeren. Maar ook komt het woord voor in den zin van „overslaan". Bijv.: bè° meulingkeuè oeréh, bè meulanggéh bandja, d. i. „men mag niet over de lijn heengaan, men mag geen regel overslaan", zooals een onderwijzer tot zijn leerling zegt bij de schrijfles.