is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

The Achehnese 1:116), in Gajö: sipöt jakin, d. i. teeken van vertrouwen (Het Gajöland p. 115 vg.), in Alas: sipat soedah, d. i. teeken van afdoening.

Verjaring van het recht tot vervolging kende de adat niet, trouwens het eigenbelang der hoofden bracht mee, geen klachten, van hoe ouden datum ook, van de hand te wijzen.

Maakten de omstandigheden het noodig, den aangeklaagde preventief te houden, dan geschiedde zulks bij de Atjèhers wel ten huize van den Oelèëbalang, of hij werd in de balè in boeien geslagen (geuranté).

De terechtzitting had in Atjèh gewoonlijk plaats in de balè van den Oelèëbalang, soms ook in de moskee en bij ernstige feiten (zooals bij diefstal en doodslag) ter plaatse, waar de misdaad bedreven was. In Gajö werd bij gewichtige quaesties recht gesproken op een plaats buiten de kampoeng, bijvoorbeeld onder een grooten boom. Verder kende men daar allerlei termen, om verschillende, min of meer kostbare en omslachtige manieren van rechtspraak, als het ware fictieve rechtbanken, aan te duiden (zie dl. 1, p. 390), en onderscheidde men openlijke behandeling eener zaak vóór den rödjö, waarbij matten gespreid werden (G: hoekoem dendang, Alas: hoekoem lahir) en afdoening door mindere autoriteiten, om ruchtbaarheid te vermijden (G: hoekoem toengkoem, of: perëbö, Alas: hoekoem batin), bijvoorbeeld in geval een ongehuwde zwanger was geworden, of bij een huwelijk tegen den zin der ouders (Het Gajöland p. 300).

Voor het voeren van het geding was noodig, dat beide partijen verschenen; de adat kent geen behandeling van zaken bij verstek. Het niet verschijnen van den aanklager stelde de zaak uit en een gevolg van onwilligheid van den aangeklaagde was, öf dwang van overheidswege, öf het overgaan tot eigenrichting door de tegenpartij.

De zitting en de beraadslaging over het vonnis hadden steeds in het openbaar plaats. Het onderzoek droeg gewoonlijk het karakter van een rhetorische discussie (marit, G: mböh pri) tusschen partijen, verdere betrokkenen en getuigen (zie dl. I, p. 247), waarbij de rechter als „de heer" (po marit, G: mpoe ni pri) of leider optrad.

De bewijsmiddelen waren de volgende:

1°. Bekentenis (meungakoe).

De bekentenis van den aangeklaagde geldt zoowel volgens adat als hoeköm als volledig bewijs, maar terwijl zij volgens de Wet slechts dan van waarde is, als ze zonder eenigen dwang is afgelegd, werd zij vroeger in Atjèh door pijniging wel afgedwongen, bijvoorbeeld door het draaien van een gespleten rotan om een dij van den verdachte (wéng ba' pha siblah, De Atjèhers dl. 1, p. 114, The Achehnese I : 109).

2°. Getuigen (tja"si, of: sa si, of: tjoehoed, G: saksi, of: soehoet — Arab.: sjoehoed, plur. v. sjahïd).

Het getuigenbewijs was het meest normale. Het was vaak zeer moeilijk getuigen te krijgen, die aan de hooge eischen voldeden, die de Wet aan hen stelt1).

1) Die vereischten zijn zóó zwaar, dat men althans in onzen tijd bijna zou moeten wan-