is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. poemoe'e breuëh, d. i. het laten happen van rauwe rijst, waarover ook weer vooraf een bepaald tooverformulier moest worden opgezegd; de schuldige alleen zou dan de rijst niet door de keel kunnen krijgen;

c. teumanöm, d.i. het „begraven" van een vooraf door een deskundige belezen kalebas {böh koendö), ter plaatse, waarheen de groote weg in de kampoeng leidde; het gevolg zou zijn, dat de buik van den schuldige weldra opzwelde of barstte;

d. peuliëh beusöë, d. i. het doen likken van gloeiend ijzer.

In Gajö en Alas had men nog de duikproef (G: soempah bërsënoem, Alas: soempah mëkënöng): wie bij de onderdompeling het eerst boven kwam, had het proces verloren.

Doorstond de aan een godsoordeel onderworpene de proef met goeden uitslag, dan werd de klager bij de Gajö's vaak beboet en moest hij bovendien zittingsloon (kënoendoelön), bestaande in eenige stukken wit goed, aan den rödjö en een stel kleeren (salin), of de waarde daarvan, aan den onrechtmatig verdachte geven (Het Gajöland p. 120).

5°. Aanwijzingen en teekenen ').

Tot de middelen, die vereischt worden, om een zaak tot klaarheid te brengen, behooren naar de adat zekere aanwijzingen en kenteekenen, die tot een viertal groepen worden gebracht. Hoewel zij speciaal betrekking hebben op diefstal, gelden zij bij analogie ook voor andere delicten, ja zelfs voor burgerlijke zaken. Deze vier groepen zijn:

a. jad (G. en Alas: jöt, v. Arab.: jad = hand). Hierbij zijn het iemands gedragingen, vooral zijn gangen, die argwaan (sjo até, G. en Alas: sö' até) wekken. Men heeft hem bijvoorbeeld gezien in de nabijheid van het huis van den bestolene, of zijn schuwe blik (lèh-löh, of: ngè-ngö) heeft kwaad vermoeden doen ontstaan;

b. kinajat, of: kinanjat (G. en Alas: kinajat, of: pëngajat, v. Arab.: kinajah = metaphoor). Hier zijn het vooral iemands woorden, waardoor achterdocht wordt gewekt. Men heeft hem bijvoorbeeld een toespeling2) hooren maken in verband met het delict, of hem op opvallende wijze zien fluisteren, of bijzondere onrust of zenuwachtigheid in zijn manier van spreken opgemerkt, enz.;

c. peunjabét (G. en Alas: përtjabit, v. Arab.: thabit = vaststaand). Hier zijn de aanwijzingen van dien aard, dat zij recht geven iemand als den dader van een gepleegd delict te beschouwen. Men heeft hem het gestolene bijvoorbeeld zien vasthouden;

d. haleuë meuë (G. en Alas: alölmal, v. Arab.: halal = volgens de Wet geoorloofd, en mal — goed, bezitting) d. i. het corpus delicti, aangetroffen in het bezit van den aangeklaagde; bijvoorbeeld het bebloede mes, waarmede een moord is gepleegd, de gestolen zaak, enz. Hij is in dit geval, zegt de Atjèher,

1) Vgl. voor het onderstaande: De Atjèhers dl. I, p. 109 vg. (The Achehnese I: 105) en het Gajö Wdbk. op de betrekkelijke woorden.

2) Zulk een bedektelijke aanduiding noemt de Atjèher: narit kinajat, of: tl. meuta wi, of: n. moebalé*, of: n. meu'oedjöng. Andere woorden, om een bedekte of overdrachtelijke wijze van spreken aan te duiden, werden vermeld dl. I, p. 413 vg.