is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alas: anggoen), bestaande uit een, met de uiteinden aan een dwarsbalk van de kamer, of buiten ook wel aan een boomtak, opgehangen, breeden doek, of uit een, aan touwen bevestigd, mandje van gevlochten rotan of bamboe, dat met eenige kussens wordt opgevuld. Boven de wieg hangt de reeds eenige malen genoemde keumbaj boendi, een papieren mandje met afhangende, geknipte versiersels, gekleurde eierschalen en meer dergelijke voorwerpen, die door kleur en beweging de oogen van den zuigeling boeien.

Om het in slaap te sussen (peulalè, G: mëlalèn, Alas: melalé) neemt de moeder haar kind op den linkerarm en klopt het dan zachtjes met de rechterhand (pöh-pöh aneu'), of ze legt het in de wieg en brengt deze in zacht schommelende beweging (meu ajön, Q: bërdjoendjani), waarbij ze wiegeliedjes neuriet (meudödi, of: dödö aneu, G: tjatjön, Alas: tjatjoe)x). Het zijn oude, maar altijd weer nieuw blijvende deuntjes: poëzie, dikwijls zonder slot noch zin, maar niettemin treffend, omdat er het moederhart vaak zoo duidelijk uit spreekt. Ziehier een proeve van zulk een Atjèhsch liedje J):

Welaan, ik schommel je op en neer, Dja 3) koetimang, tjrang!4)

[hopla!

De bloem ontluikt op de houten kist. Boengöng keumang ateuëh peutöë.

Mijn mooi, welgevormd kleintje, Si-nja tjoet lön djröh that seudang,

Het zal later doen, als moeder (nu) doet. Djih beungöh 5) nang oeroè doedöë, Douw, douw, derideine, Dö ida idi,

De keumbaj boendi van gampöng Barö Keumbaj boendi di gampöng Barö, Tjót Poetoe en Samagani, Tjöt Poetoe, Samagani.

Dodeine, do do. Ajön dödi.

Geelgroen kleintje. Tjoet poetéh idjö °).

Douw, douw, derideine, Dö ida idi,

De eitjes van het rijstdiefje en het Böh toelö, böh tjimpala,

[kwikstaartje.

Nu kleuter nog klein is, sust moeder je. Jöh tjoet si-nja\ madji dödö,

Ben je wat grooter, dan neemt een Rajeu batjoet, ka lintö ba,

[bruigom je mee,

En als hij je meeneemt, krijg je van alles: Adat djiba, pi meusampé:

1) Dit neuriën van wiegeliedjes is zóó genoemd naar de daarin veel voorkomende sussende klanken (Atj.: dödi, O: tja tjoe, Alas: tjoe tjoe, vgl. Jav. lelft lelft, Soend. nèng nèngkoeng). Vgl. De Atjèhers dl. I, p. 433 nt. 3, The Achehnese 1:394 nt. 2 en Gajö Wdbk. i. v. tjatjoe.

2) Een aantal Atjèhsche wiegeliedjes vindt men bijéén in De Atjèhers dl. I, p. 507 vg. en bij Dr. Jacobs t. a. p. dl. 1, p. 171 vg. en 187 vg. Zie voor een dergelijk Gajösch liedje het Gajö Wdbk. i. v. djoendjani.

3) Dja' — imperat. „ga!", beteekent hier: kom! welaan!

4) Tjrang, ook: tjrang-tjréng = rinkelen.

5) Beungöh = a. ochtend, b. evenaren, volgen.

6) Poetéh koenèng (geel-wit) en poetéh idjö (groen-wit) gelden, van de huid gezegd, als lichaamsschoon. Poetéh djalië" = geheel wit; wordt niet mooi gevonden. De Inlander heeft bijvoorbeeld een afkeer van albino's.