is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onheilspeilenden tijd gaarne wat stinkende bladeren, in Gajö en Alas wat zout op het haardvuur, omdat de geesten daardoor worden afgeschrikt Ook als het regent, terwijl de zon schijnt (oedjeuën panaïh, G: lö serelah, Alas: oedan hangat, Mal.: oedjan panèh), worden de kinderen direct in huis gehaald; vooral geldt het als omineus, als daarbij nog de regenboog (beuneung Radja Timöh, G: klamboen, Alas: tjëlandoeng) zichtbaar is ').

Algemeen geldt in het gewest het voorschrift, dat men een kind niet in den spiegel mag laten zien 2). In het Alasland heet het, dat trien het geen zittende houding moet geven, daar anders de tandjes niet op tijd doorkomen.

Kinderen, die achterlijk zijn in het loopen, laat de Atjèher gaarne over bedauwd gras gaan, of men wrijft hun ledematen in met dauwwater (ië mbön). Dezelfde krachtig makende eigenschappen kent men evenzeer toe aan het water, waarin de rijst gewasschen is (ië breuëh); vandaar dat men dit badwater ook aanwendt voor kinderen, die mager en in groei achterlijk blijven. Bij het tandverwisselen (teulhöh gigoë, G: mënëlpöngi) hebben geen bijzondere ceremoniën plaats. In Atjèh begraaft men de benedentanden, die uitgevallen zijn, gewoonlijk onder het huis, de boventanden worden in den regel op het dak geworpen (Dr. Jacobs dl. I, p. 196). De Gajö legt de uitgevallen tanden op een der huisbalken. Opdat de tanden spoedig zullen doorkomen, klopt de Atjèher tegen het tandvleesch van het kind met een rauw ei. De Gajö wrijft daartoe wel met een stukje goud langs den tand; dit goud geeft men als het ware aan den tand als loon voor het doorkomen (Gajö Wdbk. i. v. oepah).

Uit al het bovenstaande blijkt wel, dat het den Inlander niet ontgaat, dat het kind in zijn eerste ontwikkelingsperiode, meer dan in lateren tijd, aan allerlei gevaren en ziekten is blootgesteld en dus nauwlettende zorg noodig heeft. Ook uit het vervolg van dit werk zal zulks nog telkens blijken.

h. Leeftijdbepaling.

Is een kind nog heel klein, dan beschrijft men zijn leeftijd door mede te deelen, welke bewegingen het reeds in staat is te maken. Zoo zegt men bijvoorbeeld „het kan al voorover liggen" (ka djeuët doegöm, G: ngö ngö' öpöp), „het kan zich al omkeeren" (ka djeuët balé , G: ngö ngö bali singkih, Alas: teladjar langkëm), „het kan al lachen" (ka djipeukhém, G: ngö gërëgèkan), „het begint te loopen, maar valt nog telkens" (ka djitatèh, G: tëngah langkah-sëntat, Alas: tjindör sëntöt), „het kan staan, als het zich aan een of ander vasthoudt" (G: toekoe ngö1 bëröbön-öbönön, Alas: tjindör aban-aban), „het kan zich oprichten en dan staan" (ka beudöh dong), „het kan juist kruipen" (ban djeuët dji euj, G:

1) Bij ons: „kermis in de hel". Algemeen wordt in den Archipel regen met zonneschijn gepaard als zeer gevaarlijk beschouwd, vgl. o. a. voor de Toradja's het opstel van Dr. A. C. Kruyt over het „Measa", 2de ged. Bijdragen T. L. en Vk. v. Ned. Indië dl. 75, p. 55. Men denke ook aan het oud-Eng.: „rain through sunshine, the devil going on his wife" (J. G. Frazer: Psyches task p. 54 nt. 2).

2) Ook in Europa algemeen, vgl. Dr. A. Wuttke t. a. p. blz. 226, 314, 343, 348, 379, 392, 459.