is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pahh)\ wordt de koenoet-\oxmu\z (Arab.: qonoet), die bij de godsdienstoefening van den morgenstond wordt uitgesproken, verzuimd, dan is een extra prosternatie (soedjoed-sawi) aan het slot en motiveering {niet) hiervan noodig; verwaarloost men een ceremonie, welke als peureulèë, op straffe van nietigheid, is voorgeschreven, dan is de geheele handeling ongeldig (han sah) en moet een nieuwe rakaat worden verricht. Samenvoeging van seumajang's (bijv. leuhö en asa; moegréb en isja) is toegestaan voor reizigers, zieken en ouden van dagen. Men noemt die combinaties seumajang djama" ').

Zooals bereids opgemerkt, onttrekt zich de overgroote meerderheid der bevolking aan deze verplichte dagelijksche godsdienstoefeningen, alleen de moegréb wordt minder verwaarloosd dan de vier andere. Het trouwst worden ze nagekomen door vrouwen en ouden van dagen. Den opvallend geringen ijver der Inlanders in den Archipel voor den Mohammedaanschen eeredienst schrijft Prof. Snouck Hurgronje toe aan zijn herkomst uit Voor-Indië. Immers ook daar werd, in overeenstemming met het meer tot bespiegeling geneigde karakter der bevolking, minder aandacht aan nauwgezette vervulling der voorgeschreven godsdienstplichten geschonken dan bijv. te Mekka, of elders in het centrum der Moslimsche landen. Alleen bij het uitbreken van groote rampen (oorlogen, epidemiën, enz.), of waar een ijverig landgenoot hiertoe aanzet, worden de seumajang's getrouwer waargenomen (De Atjèhers dl. II, p. 335—337, The Achehnese II : 304—306).

Voor de geldigheid eener godsdienstoefening is het noodig, dat de geloovige in een toestand verkeert van volkomen ritueele reinheid. Niet alleen de persoon zelf, maar ook zijn kleeding en de plaats, waarop hij staat, moeten volgens de Wet rein zijn. Elke aanraking met iets, wat volgens de Wet onrein (nadjih, Arab.: nadjis) is — bijvoorbeeld hond of varken, of de afscheidingen van het menschelijk lichaam —, heeft wettelijke verontreiniging (keunöng nadjih) ten gevolge. Slechts reiniging kan dien toestand weder opheffen, namelijk door afwassching der bezoedelde plek, onder zekere voorwaarden. Afgescheiden hiervan, kent de Wet nog twee bijzondere toestanden van ritueele onreinheid, beide hadaïh (Arab.: hadath) genoemd en van elkander onderscheiden als „de groote" en „de kleine" onreinheid. De eerste wordt veroorzaakt door de menstruatie, den coïtus, de bevalling, pollutio nocturna en het contact met een lijk; de laatste bijvoorbeeld door den slaap, door aanraking van iemand van andere sekse (behalve naaste bloedverwanten), door het doen zijner behoeften, enz. Over de wijzen van wegneming dezer beide soorten van onreinheid werd vroeger reeds gesproken (boven p. 458, vgl. nog dl. I, p. 367 nt. 1).

Verder is het noodig, dat de kleeding van dien aard zij, dat het lichaam gedurende de godsdienstoefening behoorlijk bedekt is. Mannen moeten het lichaam tusschen de knieën en den navel (èërat, Arab.: caurah), en vrouwen het geheele lichaam, met uitzondering van gelaat en handen, bedekken. Terwijl de mannen hun gewone kleeding blijven dragen, hebben de vrouwen voor de seumajang een

1) Djama' = bijéén; sigb djama' (Q: sigör djama') = te zamen genomen, vgl. GajS Wdbk. i. v. djamak.