is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Taal-pantang's.

In tijden van cholera-epidemie, noemen de Gajö's deze ziekte: pëmböngörön („een mat- of wee gevoel hebben"), of: moesim („moeson"), of: pënoengén („verkoudheid"), of: koejoe („wind"), of: pënoenggoerön („overstrooming"), of: si rëmalan ni („de hier rondwarende"), enz. (vgl. Gajö Wdbk. op deze woorden). De Alassers gebruiken hiervoor de wisselwoorden: angin-angin („wind"), of: magin („wat onwel zijn").

Is iemand van de familie ernstig ziek, dan zegt de Atjèher, dat hij „aangenaam van vleesch" (mangat asöë, vgl. boven p. 431 vg.) is; de Gajö, dat hij „het lekker heeft" (sëdöp oentoeng); de Alasser, dat hij „prettig gestemd" (taböh nggau) is. Oogziekte duidt de Atjèher liefst niet aan met sakét mata, maar met mangat mata, d. i. „aangenaam van de oogen". Van iemand, die door vergiftiging ziek geworden of gestorven is, zegt de Gajö, dat hij „lekker gegeten" (maan sëdöp) heeft (Gajö Wdbk. i. v. pangan). Is het allertreurigst met hem gesteld, dan zegt hij, van zichzelf sprekende: „ik verkeer in schitterende omstandigheden" (Gajö Wdbk. i. v. pri en simbön). Enz.').

Evenals ziekten, kunnen ook sommige dieren des wouds voor den Inlander in bepaalde gevallen een groot gevaar zijn. Dan deinst hij er voor terug, hun ware namen te noemen. Allerlei wisselwoorden voor tijger (dl. I, p. 188 en boven p. 121), olifant (dl. I, p. 191), krokodil (dl. I, p. 201), slang (boven p. 121) vinden in die vrees hun verklaring.

Verder vinden taal-pantang's nog in allerlei andere gevallen toepassing. Waar men vraagt naar het bedrag van een oogst (peper of rijst), het aantal inwoners eener gampöng, enz., geldt het, naar Atjèhsche opvattingen, als onvoorzichtig, het woord padoem, d. i. „hoeveel?" te gebruiken en vervangt men het dus liefst door padit, d. i. „hoe weinig?" (De Atjèhers dl. II, p. 47, The Achehnese 11:45).

Bij verschillende handelingen wordt ook van wisselwoorden gebruik gemaakt, bijvoorbeeld: bij de oliebereiding (dl. I, p. 170), bij de zijdecultuur (dl. I, p. 598), bij het maken van visch- en jachtgereedschap (dl. I, p. 599), bij de pottenbakkerij (dl. I, p. 600) enz. Op p. 112 hierboven werd reeds medegedeeld, dat op zee eveneens een aantal van zulke pantang's worden in acht genomen. Ook de inzamelaars van boschproducten, die voor de uitoefening van hun bedrijf het geheimzinnige woud met zijn tallooze gevaren bezoeken, moeten den goeden uitslag van hun werk door nakoming van taa\-pantang's verzekeren. Over de kamferzoekerstaal in het Singkelsche deden we vroeger eenige mededeelingen in het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1916, p. 886.

Na de bovenbedoelde verbods-bepalingen is als laatste groep van pantang's nog te noemen, die der verbods-teekenen. Men weet, dat onder zulk een verbodsteeken is te begrijpen, een of ander voorwerp, dat iemand in zijn bouwveld, aanplanting, vruchtboomen, vischwater, enz. plaatst, tot bescherming van zijn bezit. Overtreding van het door zoo'n teeken aangeduid verbod wordt geacht voor den

1) Vgl. over analoge wisselwoorden elders in den Archipel Mr. Van Ossenbruggen t. a. p. blz. 177.