is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rijststrooiing.

mentaire verkoeling leerden we de rijststrooiing o. a. reeds kennen bij het meuandam der bruid (boven p. 325), bij het peutamat Koeroe an (boven p. 504), bij de plaatsing der grafsteenen (boven p. 469), bij de doorboring der oorlellen (boven p. 450). Maar ook komt de rijststrooiing als op zichzelf staand verkoelingsmiddel voor. Zoo wordt, zoowel bij Atjèhers als bij Gajö's en Alassers, de bruidegom, als hij de huistrap zijner bruid wordt opgeleid (boven p. 327, 330, 331) met rijst bestrooid. Ook als het lijk het sterfhuis wordt uitgedragen, heeft deze plechtigheid plaats (boven p. 461 en 462). Vóórdat de tot medicijn dienende kruiden en de voor de g-ö(/o-ceremonie bestemde bebladerde takken (boven p. 323) worden geplukt, worden ze met rijst bestrooid. Een grooten boom, waarin, naar de Atjèher meent, geesten huizen, zal hij niet omkappen, alvorens dien met rijst te hebben bestrooid. Als een kind een ongeluk overkomt (bijv. van de trap of in den put valt) wordt het door de moeder dadelijk met rijst bestrooid en als het naar een heilig graf wordt gebracht, ter vervulling eener gelofte, dan worden vóór het vertrek zoowel de begeleidende muziekinstrumenten als het kind zelf op die wijze verkoeld.

Behalve het bovenbedoelde strooien, omhoog werpen van de rijst, wordt bij Gajö's en Alassers de rijst in bepaalde gevallen ook wel op het hoofd gelegd (.djoedjoeng) van de personen, die het object zijn van de ceremonie (den bruidegom, een kind dat besneden moet worden, den goeroe didöng, den van een langdurige reis naar de Kust teruggekeerde, enz., zie GajS Wdbk. i. v.).

Een andere groep van „verkoelende"-, onheilafwerende middelen vormen het spuwen, het blazen en eenige andere daarmede verwante lichamelijke verrichtingen. Men weet, dat, naar de opvattingen der Inlanders, aan alles, wat uit het menschelijk lichaam komt — en we denken hierbij allereerst aan het speeksel en den adem — magische kracht wordt toegekend ter versterking van zichzelf tegenover kwade invloeden van buiten, tot wering van onheil in het algemeen '). Van de Inlandsche ziekenpractijk vormt het „bespuwen" en het „beblazen" een integreerend onderdeel.

Het gewone Atjèhsche woord voor spuwen is: roedah, of: loedah, waaraan het Gajösche menilih en het Alassche tjidoer beantwoordt. Men spuwt op den grond uit walg (loeat, G: loeöt) voor iets of iemand (vgl. dl. I, p. 228), of uit haat (bantji, G: id.), zooals men bijvoorbeeld kijvende vrouwen wel ziet doen.

1) Vgl. o. a. Mr. F. D. E. van Ossenbruggen: „Het primitieve denken" § 37 en Dr. A. C. Kruyt's opstel over het „Measa" II in de Bijdragen T. L. en Vk. v. N. I. dl. 75 p. 36 vg. en diens „Animisme" p. 60—63 („bespuwen" en „beblazen"). Zie over bespuwing (sëmboer) en beblazing (soewoek) bij de Javanen J. Kreemer Sr.: Sëmboer-soewoek, djapa-mantra in de Meded. Ned. Zend. Gen. dl. 34, 1890, p. 335 vg. Welk een machtig element dit blazen en spuwen in de Inlandsche maatschappij vertegenwoordigt, kan o. a. hieruit blijken, dat bij een cholera-epidemie op Java in 1902 van de 775 Inlanders 375 geen medicijn verkozen, maar alleen verlangden, dat men hen soewoeken zou en waarvan, op 5 patiënten na, allen overleden (Bulletin v. h. Kol. Museum te Haarlem n". 32, 1905, p. 130, aant. 18). Ook in Europa leven het bespuwen en het beblazen als oude praktijken nog in menige streek voort; zie o. a. J. Tuchmann in Mélusine dl. VIII, 1897/98, p. 133 vg. en Dr. A. Wuttke: Der deutsche Volksaberglaube § 251.