is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer Gajö's, die van de Kust terugkeeren, aan de Gajösche grens van het oerwoud (pintoe rimbö Gajö) gekomen zijn, dan bewaaien (gërbös) zij zich met boombladeren en voeren de sacramenteele telling van één tot zeven uit (vgl. boven p. 536); bij „zeven" gekomen, werpen zij die bladeren weg en spuwen (ilih) er driemaal op, zeggende: „fui, fui, blijf gij ziekte (of ongeluk), die ik misschien van de Kust heb meegebracht, hier achter, volg mij niet"; daarna gaan zij verder (Gajö Wdbk. i. v. gërbös). Met hetzelfde doel spuwen zulke reizigers ook wel op een droog blad, dat zij bij de grensplaats vinden en keeren dit blad daarna met de bespuwde zijde op den grond, waarna zij hierop trappen, beurtelings met den linker- en den rechtervoet. De Gajö's en Alassers noemen dit pënoetoep („sluitmiddel"), daarmede te kennen gevende, dat zij het eventueel met zich meegebrachte onheil daardoor „afsluiten" en er zich dus zoodoende van bevrijden ').

Behalve dit spuwen in eigenlijken zin, kent men als magische handeling nog het bespuiten of besproeien met — al of niet belezen — water (preut ië, of: pröïh ië), dat vooraf in den mond wordt genomen, en het bespuwen met sirihspog, of vooraf gekauwde geneesmiddelen (seumbö, G. en Alas: sëmboer), waarover men te voren soms een bezweringsformulier heeft gereciteerd. Dit bespuwen verstaat nagenoeg een ieder, maar meestal is het 't werk van de bidan, of van de moeder, of een andere oude vróuw. Sommige personen heeten er een bijzondere geschiktheid voor te hebben (meurasi).

Tegen koerab ië, een soort huiduitslag, worden de aangetaste plaatsen met water bespogen. Dit geschiedt ook met vechthanen en vechttortels, om ze sterk te maken. Allerlei dieren, zooals duiven, buffels, paarden enz. worden aldus met water bespoten, om ze tam (seu iët, G: djina) te krijgen. Wonden worden wel met water bespogen, om ze te zuiveren.

Heeft een klein kind buikpijn, of last van wurmen, of wordt het gewaand aan kwade invloeden te zijn blootgesteld, dan wordt het eenvoudig met sirihkauwsel besproeid. Gedurende zijn teedersten leeftijd geschiedt dit dagelijks (dl. I, p. 242 en hierboven p. 424), behalve met sirih ook met kurkuma, korianderzaad (keutoemba) en dergelijke. Versche wonden worden o. a. bespogen met kurkuma, fenegriekzaad (haleuba), halfrijpe pinang (pineung njèn) en fijngekauwde jonge bladeren; etterende kwetsuren met ongekookte, gekauwde kleefrijst (breuëh leukat) en kurkuma; koortslijders met kurkuma en uien, enz. Begint een kraamvrouw te

1) Dat we hierbij hebben te denken aan een poging tot overdracht van de den reiziger aanklevende schadelijke invloeden op het boomblad (zondebok-idée), is wel niet twijfelachtig. Dit blijkt ook uit analoge gebruiken elders in den Archipel. Wanneer de Toradja op reis meent, dat een of ander magisch gevaar hem achtervolgt, dan spuwt hij eerst op een boomblad en werpt dit daarna achter zich, zoo vertelt Dr. A. C. Kruyt in de Bijdragen T. L. en Vk. v. N. I. dl. 75, p. 57. Elders (De Bare'e-sprekende Toradja's dl. I, p. 390) deelt dezelfde schrijver mede, dat wanneer een Toradja van een verre reis terugkeert, soms een priesteres noodig is, om hem te bevrijden van het schadelijke, dat gedurenden den tocht in zijn lichaam gekomen is. Daartoe wordt hij met een saroeng overdekt en daarna met een bos bladeren geslagen. Vervolgens wordt de saroeng uitgeslagen „om het schadelijke, dat er op is overgegaan, uit te schudden". Vgl. nog over dit gebruik J. G. Frazer, The scapegoat p. 8 vg.