is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. Regen-maken ').

Men kan zich voorstellen, dat in een land als Atjèh, waar de landbouw als „meester aller broodwinning" geldt, allerlei middelen bekend zijn, om bij langdurige droogte den regen te lokken. De meest gewone dier middelen zijn van magisch-religieuzen aard. Wel kent de Islam een seumajang om regen te verkrijgen (galat al-istisqtf), maar in het hier behandelde gewest is die toch niet gebruikelijk (vgl. boven p. 491).

Het vroeger reeds genoemde middel van het baden eener kat, om regen te verwekken, is in het Alasland niet onbekend (meridi koetjing), maar leeft bij de Atjèhers alleen nog in spreekwijzen voort (dl. I, p. 518).

Een antiek Atjèhsch gebruik — dat echter reeds tot een kinderspel dreigt over te gaan —, is het slaan op klapperdoppen of schelpen, om regen te vragen (pëh broeë* lakèë oedjeuën). De oude vrouwen gaan dan des nachts bij heldere maan met de kinderen der gampöng in optocht rond, elk gewapend met twee klapperdoppen of schelpen, die zij tegen elkaar slaan, om rumoer te maken, en het volgende gebedje zingend: „O onze Heer God, geef twee druppeltjes water, de rijst is al dood, o onze Heer God, geef twee druppeltjes water" (Pöteu Alah bri ië doea neu , padé ka maté, Pöteu Alah bri ië doea neu). Waar de optocht voorbij komt, heeft men in de huizen watervaatjes (tajeuën) gereed staan, die met limoensap (ië kroeët) gevuld zijn; daarmede besprenkelt men de biddende muzikanten en biedt hun tevens spijzen aan (De Atjèhers dl. II, p. 311 vg., The Achehnese II: 283 vg.).

Dit uitstorten van water is een zeer gewone vorm, om het verlangen naar regen uit te drukken. We hebben hier een voorbeeld van sympathetische magie, waartoe verschillende regen-verwekkende middelen naar hun bedoeling te rangschikken zijn.

De eenvoudigste wijze van regen vragen (lakèë oedjeuën, G: nirö wöih, of: berapé wöih, of: nirö oerön, Alas: midö oedan) is het houden van een offermaaltijd (p. 561). Dit afsmeeken van regen geschiedt bij de Gajö's ook door het opdragen van regenliedjes (bërjöjöhan) aan „den heer van den hemelwal" (Mpoe ni bötö), die de sluizen des hemels naar willekeur opent en sluit (Gajö WdbJ<. i. v. bötö en jöjöhan). Met hetzelfde doel wordt bij hen uit het vóórhuis (lëpö) wel water gesproeid op naakte meisjes, welke beneden aan de trap staan (Gajö

1) Zie de Atjèhers dl. II, p. 311 vg. (The Achehnese II: 283 vg.). Allerlei over regen-maken bij de volken in den Archipel vindt men bijeengebracht in het opstel „Regen lokken en regen verdrijven bij de Toradja's van Midden-Celebes" van Dr. A. C. Kruyt in het Tijdschr. v. h. Bat. Oen. v. K. en W. dl. 44, 1901, p. 1 vg., en in dat van Dr. G. A. J. Hazeu in hetzelfde tijdschr. dl. 46, 1903, p. 297 vg. en de daar opgegeven bronnen. Zie nog Mr. F. D. E. van Ossenbruggen: „Het primitieve denken", register i. v. regen, regenmagie. Er bestaat over dit onderwerp in het algemeen een zeer omvangrijke literatuur; hier zij volstaan met te wijzen op: J. G. Frazer: The Magie art dl. I, 1911, p. 247—311; Dezelfde: The magical origin of kings, 1920, p. 92 vg.; J. Hastings: Encycl. of Religion and Ethics dl. X, 1918, i. v. rain; W. Crooke: The popular religion and folk-lore of Northern India, dl. I, 1896, p. 67 vg.; E. Doutté: Magie & Religion dans 1'Afrique du Nord, 1909, p. 582 vg.