is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken. Op p. 412 werd reeds gezegd, dat het vooral voor kraamvrouwen geraden is, deze voorzorg te nemen. Vóór de Atjèher de monding eener rivier overvaart (djeumeurang koeala), steekt hij eerst een lans of ander wapen in het water, of laat hij aan een touw een ijzeren voorwerp daarin neer, om niet opgeslokt (oeët) te worden door een baloeëm beudé, d. i. een soort kwade geest, die zich bij voorkeur op zulk een plaats ophoudt. Op p. 467 werd de lans ook genoemd als wapen tegen de boeröng.

In het Gajöland hangen visschers soms een stukje ijzer aan hun net en steken landbouwers wel een mes in hun veld, om de kwade machten verre te houden. Gaat de Gajösche moeder met haar kind een rivier over, dan steekt ze een of ander ijzeren voorwerp, dat ze bij zich heeft, bijvoorbeeld een mes, eerst even in het water en laat dan de daarvan afvloeiende druppels in haar mond en in dien van haar kleine vallen, waarbij ze de woorden uitspreekt: „zóó sterk als dit ijzer is, zóó sterk moge ook je semangat zijn".

Krankzinnigen mag men niet ketenen, anders worden ze nooit beter — zoo leert de Atjèher. De doodkist mag geen ijzeren spijkers bevatten (vgl. boven p. 461); ook mag den doode geen enkel ijzeren voorwerp worden medegegeven. De grafengelen — zoo lichten de Atjèhers dit verbod toe — zijn bij hun verhoor (zie boven p. 204 vg.) met ijzeren knotsen {tjoe ma beusöë) gewapend, waarmede ze den overledene kastijden, als deze niet vast blijkt in den geloove; hoe meer ijzer ze vinden, hoe zwaarder ze hun knotsen maken ').

Behalve aan het gewone ijzer wordt ook aan ijzerroest (geuratan, of: è beusöë, G: karat, of: töi bësi, Alas: tai besi) geestenwerende kracht toegekend. Komt de Atjèher op een plaats, waar, naar zijn meening, booze geesten huizen (teumpat meudjén, of: t. meuganöng), dan strooit hij bijvoorbeeld wat ijzerroest om zich heen; ook waar hij op zulk een plek een huis wil bouwen, neemt hij deze voorzorg. De Gajö, die op dezelfde wijze te werk gaat, leert nog, dat dit uitstrooien niet opzettelijk mag geschieden, daar de geesten zich anders zouden wreken. Hij verstopt bijvoorbeeld wat roest in zijn lendendoek, laat het ter bestemde plaatse quasi achteloos vallen, waarbij hij zich schijnbaar erg verdrietig toont, dat hij zijn pakje kwijt is.

Vooral ijzeren wapens worden met magische kracht begiftigd gedacht. De Atjèher onderscheidt ze in die, welke dapper (bheu) en die, welke vreesachtig (geusoeën) zijn. Heeft men een „dapper" wapen in zijn bezit, dan behoeft men nooit bevreesd te zijn. „Niet hij voert zijn klewang, maar deze leidt hem in den

1) Hier is blijkbaar vermenging van Mohammedaansche en oud-heidensche voorstellingen, zooals men in het volksgeloof zoo vaak aantreft. De bestraffing met ijzeren knotsen (Arab.: mitraqah, zie T. P. Hughes: A dictionary of Islam i. v.) is aan de Mohammedaansche overlevering ontleend. De vrees om den afgestorvene iets van ijzer mede te geven, is echter zuiver heidensch. „De Bare'e Toradja's — schrijft Dr. A. C. Kruyt — „zullen steeds zorgen, dat zij nimmer aan een lijk eenig voorwerp van ijzer in de lijkkist medegeven. Heeft de overledene ijzeren armringen aan, dan worden die eerst verwijderd, voordat het lijk wordt gekist; zoo mogen ook geene wapens medegaan in de kist. De Toradja zegt, dat zoo er ijzer in de lijkkist is, de overledene steeds de rijstvelden zal benadeelen" (Het ijzer iri Midden Celebes t. a. p. blz. 159, zie ook Bijdragen T. L. en Vk. v. N. I. dl. 76, 1920, p. 16 vg.).