is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in kunstzin en techniek (dl. I, p. 596), het spruit alles voort uit eerbied of vrees voor de voorouders, die een en ander hebben ingesteld, gebruikt of achtergelaten.

Allerlei bestanddeelen, ontleend aan het huis, waarin eenige generaties geboren, getogen en gestorven zijn, en die dus, naar men meent, iets van de persoonlijkheid der voorouders in zich hebben opgenomen, kunnen niet anders dan hun nakomelingen ten zegen zijn. Wat afschaafsel van de dakpennen of van de deurklink (geunantjéng pintö), iets van het dakstroo of van de huismat, enz. heeft daarom afwerende kracht en vormt, zooals op p. 597 nt. 4 opgemerkt, toepassing als inwendig geneesmiddel voor een kind, dat door stuipen wordt gekweld (meusawan, G: moesawan). Men zou hier van gegeten of gedronken amuletten kunnen spreken. Op. p. 432 werd opgemerkt, dat als een kind de hik heeft, de moeder het een paar pluisjes van een oude mat met wat speeksel op het voorhoofd plakt. Tegen peunjakét rambaloej, een door bepaalde geesten van dien naam verwekte ziekte, helpt een drank waarin de volgende bestanddeelen: rambaloej-b\aderen (Euphorbia Tirucalli, L.) + pluisjes van een van ngöm-biezen gevlochten mat + pluisjes van een van öaróm-biezen gevlochten mat + pluisjes van een van Zöö/'/z-palmbladeren gevlochten mat + zwavel + zout + keukenasch. Wordt bij Gaj'ö's en Alassers een vrouw door een kraamvrouwenkwelgeest (G: sidang bèla, Alas: sëdang bélö) behekst, dan tracht men die duivelin uit het lichaam der vrouw te verjagen, door haar den rook te doen opsnuiven van allerlei oude, versleten en vuile zaken, net zóó lang tot ze vergiffenis heeft gevraagd. Tot die zaken behooren: eenige snippers van het traditioneele gevlochten zakje, waarin het zout wordt bewaard (G: pëpöan, Alas: pësiran), enkele pluisjes van een versleten vloermat (G: alas, Alas: ama'), een stukje van een oude wan (G: nioe, Alas: diroe), eenige schilfers van de afvoerbuis, waarlangs het vuil van onder het huis wordt afgeleid (G: saroelön, Alas: paloengan), wat dakstroo (G: soepoe, Alas: sahoeng), een weinig kippendrek (G: töi koeri , Alas: tai manoe) en eenige uienschillen ').

1) Dat dergelijke middelen allerminst tot het hier bedoelde gewest beperkt, maar schier overal in den Archipel en ook daarbuiten bekend zijn, blijkt uit tal van voorbeelden, waarvan er hier eenige volgen. In het bekende recepten-boek van Njonja Blokland vindt men onder de geneesmiddelen bijv. genoemd: een stukje van een versleten muts; wat afschraapsel van een bouwvalligen muur, of deur, of raam; eenige afgebroken eindjes van den huisbezem; het vuil van den rand van de balé-balé, van onder de slaapmat, enz. (Doekoen djawa, oetawa kitab roepa-roepa obat njang tërpaké di tanah Djawa, 3de dr., 1899, o. a. nos- 321, 603, 708, 1110, 1213, 1214, 1503, 1328, 1499, 1782). — Bij de Mënangk. Maleiers wordt het kleine kind berookt met brandend hout, spinrag uit de woning en vuil van de balai of van het dorpsplein (A. L. van Hasselt's bekende „Volksbeschrijving" p. 268). — Van de Maleiers v. h. Schiereil. Malaka schrijft H. N. Ridley, dat als een kind voortdurend huilt en geen voedsel wil gebruiken, het gebaad wordt met water, waarin o. m. dorre bladeren en ander straatafval (De Inlandsche geneesmiddelen der Maleiers, 1907, p. 7). — J. B. Neumann vermeldt als een Bataksch middel tegen hoofdpijn een smeersel van olie, peperkorrels en kool van een oud verbrand zonnescherm (Het Pane- en Bila-stroomgebied in Tijdschr. Kon. Ned. Aardrk. Oen. 2de serie, dl. III, p. 526). Krijgt een Toradjasch kind stuipen „dan neemt men van alles, wat in huis aanwezig is, een klein stukje: van het dak, van den vuuraanblazer, van den waaier, .van den bamboe, waarin zout wordt bewaard, van de zwaardscheede, van de stijlen, van den nokbalk, enz.; al die kleine schilfertjes hout worden gekauwd en het kind op het gelaat gespuwd" (N. Adriani en A. C.