is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op geregelde tijden de leproseriën binnen hun ambtsgebied. Men weet, dat de tegenwoordige behandeling der lijders met chaulmoogra-olie nog een onzeker middel is. Verder is het afzonderings-systeem verre van een afdoende wijze van bestrijding, vooreerst is de isolatie niet zóó streng, dat contact met de buitenwereld zou zijn uitgesloten, en in de tweede plaats worden niet alle lijders bereikt. Er zijn er altijd, die zich aan de interneering onttrekken en een zwervend leven leiden. Volgens het Koloniaal Verslag van 1914 zou het aantal leprozen tien jaren geleden 288 mannen en 106 vrouwen hebben bedragen. Hoewel dit cijfer bij nauwkeurig onderzoek waarschijnlijk niet onbelangrijk hooger zal blijken te zijn, is het aantal lijders toch beperkt. De groote moeilijkheid is echter, dat, zelfs bij een zorgvuldig onderzoek, vele lepra-gevallen nog niet altijd te herkennen schijnen te zijn. Er is al een plan ontworpen voor een centrale leproserie in het gewest, maar de uitvoering is uit hoofde van bezuiniging van de agenda geschrapt.

Ook zielsziekten komen in Atjèh veel voor, méér waarschijnlijk dan waar ook in den Archipel. De vorige gouverneur A. G. H. van Sluys liet een nominatieve opgave opmaken van het aantal krankzinnigen in zijn gewest — de Gajöen Alaslanden niet medegerekend — en kwam toen tot het cijfer 1200. Het werkelijk aantal is zeker grooter, daar de Atjèher alleen de zeer duidelijke gevallen, vooral die hem last bezorgen in de samenleving, tot krankzinnigheid rekent. Genoemd bestuurshoofd meende de aandacht der Regeering op dit euvel te moeten vestigen, omdat, naar zijn overtuiging, een groot percentage der z. g. Atjèh-moorden ') aan geestelijke minderwaardigheid der daders moet worden toegeschreven en het dus uit een pacificatie-oogpunt gewenscht is, de onbetrouwbare elementen zooveel mogelijk aan de samenleving te onttrekken.

Naar aanleiding hiervan werd in 1920 aan Dr. F. H. van Loon de opdracht gegeven, welke reeds in dl. I, p. 236 nt. werd vermeld. Het resultaat van het hierbij bedoelde onderzoek werd gepubliceerd in de Mededeelingen van den B. G. D., dl. X, 1920, p. 2 vg. In dit rapport concludeerde Dr. van Loon, op grond van eigen onderzoek:

1° dat niet alleen een zeer groot aantal krankzinnigen in Atjèh vrij rondloopt, of in boei of blok 2) opgesloten zit, maar dat van dezen velen tot de, voortdurend of bij tijden, gevaarlijke individuen moeten worden gerekend (Rapport p. 40);

1) Wat onder die „Atjèh-moorden" is te verstaan, werd op p. 233 vg. van het lste dl. van dit werk uitvoerig uiteengezet. Ze doen denken aan het bekende „amoek"-maken, dat ook in Atjèh niet onbekend is. De oorzaken van het een zoowel als van het ander zijn veelal van denzelfden aard. In de wijze van uitvoering is echter groot verschil. De bedrijver van den Atjèh-moord — een soort sluipmoord — gaat met voorbedachten rade te werk: hij kiest zijn slachtoffer en zijn plaats. Bij den amoek-maker is van een voorbereid plan geen sprake: deze wordt plotseling aangegrepen door een blinde woede, waarbij hij iedereen, die hem in den weg komt, over hoop steekt. De Atjèh-moordenaar bereidt zich ten doode; bij den amoekmaker is verlies van eigen leven accidenteel. Op het verschijnsel van „amoek" werd nieuw licht geworpen door een studie van Dr. F. H. van Loon over „Acute verwardheid in Nederlandsch-lndië'' in de Meded. v. d. Burg. Geneesk. Dienst in N. 1. congresnummer 1922 dl. IV, p. 212 vg.

2) Voor dit opsluiten (pasöêQ: ajön) van een krankzinnige (poengö, G. en Alas: gilö) jn het blok (neunöh, of: pasöng, G: andoehön, Alas: bajangön), wordt gewoonlijk een balk