is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strijd op elkaar afschieten, maar waarmede ze ook wel eens de menschen treffen (De Atjèhers dl. I, p. 459, The Achenese 1:415 vg.). De pokken schrijft hij toe aan een oude dame uit het geestenrijk, die den naam Pö Ni draagt en de menschen met kleine korrelachtige voorwerpen op het lichaam werpt, die daar de pokken doen ontstaan (De Atjèhers dl. I, p. 460, The Achehnese 1:416). De Gajö's zeggen van den pokkengeest Rödjö Pënawar, dat deze zijn tjap (litteekens van de pokken) komt drukken op hen, die hij een vorige maal heeft overgeslagen (Het Gajöland p. 312). Sikirön is bij hen de naam van een boschgeest, die ziekten bezorgt, door met zijn lans te steken (neni), welke ziekten daarom sakit penenikön worden genoemd (Gajö Wdbk. i. v. tenik). In al deze gevallen heet de persoon in quaestie door een geest „getroffen" te zijn (teukeunöng djén, G: terköna djin).

Verschillende spoken en geesten werden in den loop van dit werk reeds genoemd. Sommigen van hen voeren den titel sidang of sedang („de Heer , of „de Geëerde") '), zooals de ons reeds bekende kraamvrouwengeest bij Gajö's en Alassers en de op p. 532 vermelde nasir si opat. De op p. 580 onder den naam van baloeëm beudé (G: baloem bidé) aangeduide geest doet zich voor als een lap leer, die zich eenvoudig dicht vouwt, als hij iemand „opslokt" (oeët, zie De Atjèhers dl I, p. 452, The Achehnese 1:409). In moerassen, kreken en rivieren huizen de sanè (G: sané, Alas: tjané) vooral op daarin liggend dood hout, trapt iemand daarop, dan krijgt hij eenigen tijd daarna een zwaar gevoel in de beenen, ja zelfs wordt wel het gansche lichaam verlamd, of sterft hij (De Atjèhers dl. I, p. 452, The Achehnese 1:409, Gajö Wdbk. i.v. sané). De geunteut's, die er uitzien als zwarte reuzen, duwen soms de menschen onverhoeds van het strand in de zee, of zij vertoonen zich elders, bijvoorbeeld midden op groote wegen en voeren den eenzamen voetganger plotseling weg, zoodat degenen, die hem zoeken, hem eindelijk als wezenloos in een boom of op een bamboestoel vinden zitten (De Atjèhers dl. I, p. 453, The Achehnese 1:410). De op vliegende apen gelijkende, en in dl. I, p. 196 reeds met den naam rambaloej aangeduide, geesten hebben het vooral op kleine kinderen begrepen, maar treffen ook ouderen van dagen met een soort geheugen- en wezenloosheid; een aandoening, die men daarom aanwijst met meuramboej. Tot de gevaarlijkste soort van geesten behooren wel de hantoe boeroe (De Atjèhers dl. I, p. 426, The Achehnese 1:387, Gajö Wdbk. i.v. hantoe). Een dergelijke boschduivel is de Gajösche sikirön, die het uiterlijk heeft van een zeer harig mensch, met veel borsthaar en een grooten baard en er als een wilde jagersman op uittrekt met zijn beide jakhalzen (tambèngön), die hij als jachthonden gebruikt. Meermalen hooren de lieden, die op eenzame ladang's wonen, 's nachts of tegen zonsondergang hem schreeuwen (poetjoeh-tjoeh); dan blijven ze allen doodstil zitten in hun huisjes, bang dat hij hen misschien met zijn lans zal steken, wat ziekte of dood ten gevolge heeft (Gajö Wdbk. i. v. sikirön)2).

1) Vgl. Mënangkab. si dang toean en het Jav. dang in danghjang (Gajö Wdbk. i. v. sidang 0Zie over béla en sidang béla als namen van geesten ook Dr. A. C. Kruyt's „Animisme" p. 504.

2) Bij de Mënangkab. Maleiers heet die jagende boschgeest Hantoe si Marah Boeroe en