is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tooverij.

na de geboorte sterven is het z.g. dëna (Gajö Wdbk. i.v.). Hoe deze voorbeschiktheid, of „ziekte", zooals zij haar noemen, zich uit, werd op p. 526 vermeld.

Een vroeger (dl. I, p. 522) reeds genoemde, onder invloed van een djin bij pasgeborenen verwekte, ziekte is het Gajösche moesajam, of: sajamön. Deze ongunstige toestand is aan bepaalde teekenen te onderkennen, bijvoorbeeld als het wicht onmiddellijk na de geboorte een groote of kleine commissie doet, of de moeder den rug toekeert, enz. Van deze betoovering moet het dan zoo spoedig mogelijk verlost worden door den goeroe, daar het anders zeker door een of ander ongeluk zou worden getroffen (Gajö Wdbk. i. v. sajam).

Ook zij er nog aan herinnerd, dat sommige kinderen, naar men vertelt, van de geboorte af als het ware voortdurend een djén (bimaran, G: bimörön, Alas: bimbarön) in hun buurt hebben, die nu en dan tijdelijk in hun lichaam verblijf kiest, waardoor ziekten van epileptischen aard worden veroorzaakt. Zulk een geest wordt niet verjaagd, maar men tracht dien steeds gunstig te stemmen, door hem geregeld te verzorgen (poedja, G: nasoeh, Alas: moedjö, zie p. 558), of hem te geven, waarom hij vraagt (lakèë, G: pënirön, Alas: këmitön). Hoe men dit gevraagde uitvorscht, werd op p. 558 medegedeeld.

Eindelijk vindt men in de Bovenstreken van Groot Atjèh, en ook in het Gajöland, het geloof, dat er menschen zijn, die in geheime betrekking staan tot een geest (meudjén, G: moehantoe), waardoor zij over magische krachten beschikken, die zij ten nadeele van anderen kunnen aanwenden (vgl. Gajö Wdbk. i. v. hantoe). Hier gaat dus het geestengeloof gepaard met tooverij, tot welker beschouwing we thans overgaan.

4. Tooverij als ziekteoorzaak ').

„Niet alleen voor geesten heeft men te vreezen" — aldus Dr. Snouck Hurgronje — „minstens even groote belagers van der menschen geluk zijn ook hunne medemenschen, en ook dezen beschikken over middelen, waarvan de werking geheimzinnig is, of geacht wordt te zijn."

De kennis dier middelen behoort tot de geheime wetenschap, die men gewoonlijk kortweg aanduidt als èleumèë (G: èlëmoe, Alas: èlmoe), een verbastering van het Arabische woord voor „wetenschap" (cilm)2). Toch ligt ze buiten de

1) Literatuur: „De Atjèhers" dl. I, p. 457 vg., dl. II, p. 33 vg. (The Achehnese 1:414 vg., 11:32 vg.); „Het Gajöland" p. 327 vg.; Dr. J. Jacobs: Familie- en kampongleven op Groot Atjèh dl. I, p. 30 vg., 77, 169, 265 vg. Vgl. over tooverij elders in den Archipel Dr. J. P. Kleiweg de Zwaan: De geneesk. der Mënangk. Mal. p. 280 vg.; H. A. van Hien: de Javaansche geestenwereld dl. IV, p. 5 vg.; Dr. J. H. F. Kohlbrugge: Blikken in het zieleleven van den Javaan p. 14 vg.; W. W. Skeat: Malay Magie p. 566 vg. en de hieronder nog te noemen geschriften. Over de tooverij in het algemeen is o. a. te raadplegen: Dr. M. Bartels: Die Medicin der Naturvölker p. 29 vg.; E. B. Tylor: Primitive culture, 3de dr., dl. I, p. 112 vg.; Dezelfde: Researches into the early history of mankind, 1865, p. 107 vg.; E. Doutté: Magie & Religion p. 58 vg. en 307 vg.; R. Andree: Ethnogr. Parallelen und Vergleiche, neue Folge p. 8 vg.; J. G. Frazer: The magie art dl. 1, p. 52—214; J. Hastings: Encycl. of Religion and Ethics dl. VIII, 1915, i.v. „magie"; Dr. A. Wuttke: Der deutsche Volksaberglaube §§ 254 vg., 379, 395, 418.

2) Men rekent die geheime wetenschap tot de èleumèë dönja (G. en Alas: e. deniö, of: e. doeniö, v. Arab.: cilmoe 'l-doenja), d. i. de wetenschap1 van deze wereld, ter onderscheiding

40