is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

makenden invloed der boven besproken toovermiddelen alleen daar sprake is, waar de suggestie haar invloed doet gelden, dus waar het slachtoffer kennis of vermoeden heeft, dat er heimelijk boosaardige middelen tegen hem worden aangewend. Het vaste, overgeleverde, geloof in den noodlottigen invloed dier middelen en de angst daarvoor werken ongetwijfeld in hooge mate suggestief '). Dat de suggestie niet alleen van invloed is op het bewustzijn, maar ook organische veranderingen kan te weeg brengen, is bekend 2). Geldt dit reeds voor ons, meer critisch aangelegde Westerlingen, hoeveel te meer moet zulks dan wel het geval zijn bij lieden, bij wie het begrip aangaande het causaal verband der dingen nog zoo weinig ontwikkeld is en die, vaak onder het masker van ongevoeligheid, toch over het algemeen sterk nerveus prikkelbaar zijn, de Atjèhers zelfs in die mate, dat zij hartkloppingen krijgen, als men hun den pols voelt, zooals Dr. F. H. van Loon bij zijn onderzook herhaaldelijk opmerkte ;!). Het spreekt wel vanzelf dat de betoovering niet altijd het gewenschte gevolg heeft. De ervaring leert echter, dat het geloof in de werking ervan daardoor niet wordt ondermijnd.

5. Voorwerpen als ziekteoorzaak4).

Op p. 617 werd er de aandacht op gevestigd dat, naar de Atjèhsche opvatting, de ziekte in sommige gevallen iets materieels en in het lichaam aanwezig is, en door uitzuiging kan worden verwijderd. Bij de Gajö's komt dezelfde ziekte-

1) „Van angst sterft, naar mijn overtuiging, menigeen op Java" — schrijft Dr. J. H. F. Kohlbrugge (Blikken in het zieleleven van den Javaan, 1907, p. 16). Q. Heymering geeft een verhaal van een oud man op het eiland Leti, die eens uit boosaardigheid de dwaasheid beging, om tot zijn buurman te zeggen: „ik geef u nog drie dagen levens". Dit zeggen van iemand, die sedert lang reeds verdacht werd, een heks (isawone) te zijn, maakte zulk een indruk op het beangstigd gemoed van den bedreigde, dat hij dadelijk daarop ziek werd en den derden dag daarna stierf (Tijdschr. voor N. I. 1844, dl. I, p. 291 nt.). Van dergelijke gevallen zouden uit de literatuur nog verschillende bijeen te brengen zijn. Zie ook J. O. Frazer: Taboo and the perils of the soul p. 136 vg.

2) Dr. M. Höfler schrijft daarover het volgende: „Man darf den Einflusz des Glaubens, der Psyche, (des Willens) durchaus nicht unterschatzen bei Krankheiten. Wenn durch Suggestion (Hypnotismus, Braidismus, etc.) an bestimmten Tagen Menstrualblutungen nach jahrelanger Amenorrhoe hervorgerufen werden, wenn an gewissen, vorausbestimmten Tagen bei Louise Lateau akute Hautblutungen eintraten, wie alle Zuschauer bestatigten, wenn Warzen und Erysipele nach der Anwendung von sog. Sympathie-Kuren verschwinden, wenn wir beobachten, dasz psychische Veranderungen einen weitgehenden Einflusz auf rein körperliche Vorgange haben, warum sollten wir es für unmöglich halten, dasz der feste und unerschütterliche Glaube an den Arzt („die halbe Kur", nach der Volksmeinung), an ein Heilmittel, an eine therapeutische Handlung, dasz die feste Concentration des Willens bei nahezu vollstandigem Ausschlusse der übrigen vegetativen Vorgange (Krankenbett) auf einen bestimmten Organtheil oder dessen Funktion einen verandernden, vielleicht auch heilenden Einflusz habe?" — Zie ook wat in dl. I, p. 253 vg. over het boeröng-ge\ooi werd medegedeeld.

3) Zie diens rapport over het krankzinnigenvraagstuk in Atjèh in de Meded. v. d. Burg. Geneesk. Dienst dl. X, 1920, p. 40.

4) Zie hierover ter oriënteering o. a. Dr. G. A. Wilken's „Verspreide geschriften" dl. III, p. 383 vg., en Dr. M. Bartels: Die Medicin der Naturvölker p. 23 vg. Voor de prae-animistische „Fremdkörpertheorie" zij o. a. verwezen naar Dr. R. Hofschlaeger: Heilmethoden und ihre organische Weiterentwicklung in Archiv für Geschichte der Medizin dl. III, 1909, p. 84 vg. en A. Vierkandt: Die Anfange der Religion und Zauberei in Globus dl. 92, 1907.