is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijdrekening.

zich het vergaderen in dien nacht, om de hemelreislegende (hikajat mè'reuët) te hooren voordragen. Meer algemeen is echter de jaarlijksche kanoeri op den 18den dezer maand bij het graf van Teungkoe Andjöng en het gebruik, dat in elk Atjèhsch huis, op een of anderen dag dezer maand, apam-koekjes worden gebakken, om die als godsdienstige gave naar moskee of meunasah te brengen (zie p. 562).

8°. Boeleuën kanoeri boe (minder gebruikelijk: Scïban, of: Tja ban), G: Söbön, Alas: Sabön, Arab.: Sjacban.

Dit is de maand, waarin elk Atjèhsch huisgezin op een of anderen dag thuis een godsdienstig maal, met rijst als hoofdschotel, aan de zielen der afgestorvenen wijdt (zie p. 562). Het Javaansche gebruik, om in deze maand de kerkhoven schoon te maken, is bij de Atjèhers onbekend. De nacht vóór den 15den dezer maand (malam beureu at, Arab.: lailat al-bartfah) geldt als bijzonder heilig, omdat dan aan den hemelboom (Koran 53 : 14) zou worden geschud, om uit te maken, wie in het volgend jaar sterven zullen (zie p. 490). De meesten geven dien nacht een eenvoudigen maaltijd (kanoeri beureu af) in het dorpsgodsdiensthuis, sommigen houden dan ook wel den „lofprijzingsdienst" (seumajang teuseubèh), of in de plaats daarvan de seumajang hadjat (zie p. 490 vg.). De laatste drie dagen dezer maand zijn bijzonder levendig wegens de voorbereiding tot de Vastenmaand, vooral door het slachten van het noodige vleesch (ma meugang poeasa), zie dl. I, p. 331.

9°. Poeasa, of: Ramalan, of: Ramoelan, G: Pasa, of: Remelan, Alas: Poeasö, of: Remelan, Arab.: Ramadhan.

Over deze Vastenmaand werd op p. 491 vg. reeds gesproken; over den alsdan iederen avond plaats hebbenden /roivè/z-dienst, en het daarop volgende meudaröïh, zie p. 490. Zeer „gezegend" is — zooals Koran 44:2 uitdrukkelijk leert — de „nacht van het goddelijk raadsbesluit" (Arab.: lailat al-qadar, zie Koran 97 : 1—5), waarin de eeuwige ongeschapen Koran door Allah zou zijn neergelaten, om eindelijk, door Gabriël's tusschenkomst, stuksgewijze aan Moehammad geopenbaard te worden. Welke nacht dit is geweest, weet echter zelfs de oudste overlevering niet te bepalen; alleen heerscht de meening, dat één der laatste vijf oneven nachten de bedoelde is. De Atjèhers spreken altijd van den malam doea plöh toedjöh (den 27sten nacht). Vooral vroeger vierden de Atjèhers dien door het opsteken van lampen, de Gajö's door het ontbranden van toortsen (zie dl. I, p. 379 vg.). Algemeen heerscht bij de Atjèhers het geloof, dat in de Vastenmaand de djén's geketend en dus voor de menschen ongevaarlijk zijn. De laatste drie dagen der maand kenmerken zich weer door groote levendigheid en het slachten van buffels voor den aanstaanden feestdag (ma' meugang oeröë raja poeasa)').

10°. Boeleuën oeröë raja (minder gebruikelijk: Tjawaj), G: Ariraja, Alas: Warirajö, Arab.: Sjawwal.

1) Op de dagen van ma' meugang poeasa en mac meugang oeröë raja houdt de Atjèher zijn kinderen liefst thuis, daar ieder, die het maar eenigszins doen kan, dan vleesch in huis heeft. Liepen de kinderen dan uit, dan zou men buitenaf denken, dat ze gebrek leden.

43