is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schoonouders, verhouding — en schoonzoon

I, 245, II, 203, 322, 344.

Schubdier, I, 191.

Schulden, — aan Allah II, 354, 497; — der nalatenschap II, 353 vg.; — recht II, 375 vg. Sëlambo, II, 96.

Sérbödjadi, bestuursindeeling II, 236 vg.; —

vallei I, 84; wegennet I, 120 vg. Seudeukah, II, 252, 272, 377.

Seulangké, zie Huwelijksmakelaar. Seumajang, zie Godsdienstoefeningen. Seuneubö", I, 381, 446, II, 214, 220, 224. Sieraden, I, 278 vg.

Siermotieven, I, 554 vg., 586 vg.

Sigli, II, 15; bestuur der onderafd. — II, 211 vg.; reede v.— I, 97 vg.; wegennet 1,114 vg. Signatuur, leer der — II, 650; naam--1,312 nt. 2, 366.

Simaloer, eiland — I, 100; bevolking v. — I, 218; bestuur der onderafd. — I, 72, II, 188, 235 vg.; wegen op — I, 124; boschexploitatie op — II, 124 vg.

Sinabang. houtbedrijf op — II, 126 vg.; —

baai I, 94.

Singapore, stichting v. — II, 7.

Singkel. II, 15, 28; bestuur der onderafd. —

I, 70, II, 209 vg., 234 vg.; rechtspraak II, 284; houtaankap II, 127; uitvoertarieven II, 140; reede v. — I, 93 vg.; rivier I, 104 vg.; wegen in — I, 124; bevolking v. — I, 217 vg.; benzoë-handel in — I, 151.

Sirih, I, 346 vg.; - doek I, 275 vg.; bergplaatsen voor —■ I, 348 vg.; gereedschap voor het — kauwen I, 350; schikkingen v. — I, 351; — in de symboliek I, 350; — als afwerend middel II, 554 vg.

Sjahbandar, I, 242, II, 4 vg., 232, 233, 234. Slaapgelegenheid, I, 369 vg.

Slacht, — belasting I, 497, II, 145 vg.; —

loon II, 209; ritueele — I, 330.

Slangen, I, 199 vg.

Slapen, I, 371 vg.

Slavernij, I, 240 vg., II, 258 vg.

Smartegeld, II, 391.

Soekoe-indeeling. II, 231, 232, 233, 234, 235 236.

Soeltan, havenkoning II, 174 vg.; — als alleenhandelaar II, 4; religieuze vereering v. d.—

II, 175; — aangewezen door de sagi-hoofden II, 191; titulatuur II, 176, 262; investituur; prerogatieven II, 176; -— verwanten II, 262; genealogie der —'s 1,4, 53; weelde aan het hof v. d. — I, 5 vg., 522 vg.; macht der —'s I, 9, 15, 317. Zie ook Kraton, Rijkssieraden, Sarakata, Vorstengraven,

Soeltanaat, bloeiperiode II, 174; verval I, 9, II, 174 vg.; einde I, 15 vg., II, 175; — onAtjèhsch I, 9; politieke toestand tijdens het - I, 230.

Soematranen (winden), I, 101, 184.

Soerè, — visch I, 202, 332, II, 94, 335. Soesöh, II, 15, 30.

Soldeeren, I, 587.

Solidariteit, I, 238 vg., II, 385, 391.

Sororaat, II, 357, 360.

Speeksel, II, 553 vg., 648.

Speelgoed, I, 402 vg.

Spelen, I, 402 vg.

Spiegel, in het volksgeloof II, 635.

Spinnen (dieren), I, 205 vg.

Spinnen (draden maken), I, 538 vg. Spinnewiel, I, 539.

Spinrag, I, 206, II, 617.

Spoorbaan, zie Atjèh-tram.

Spuwen, I, 228, II, 553 vg.

Staartpeper, II, 27 nt.

Staketsels, II, 101 vg.

Stambestuur, in Gajo II, 186 vg., 236 vg., 238 vg.; in Alas II, 247; in de Maleische landschappen II, 231.

Stamgebied, I, 381; afronding v. — I, 382, II, 187 vg., 242, 246, 299; omzetting v. — in territoriaal gebied II, 187, 242, 254. Stammen, in Atjèh II, 293 vg.; in Gajö en Alas II, 298 vg.; splitsing v. — II, 299; samenvoeging v. — II, 305. Zie ook Exogamie. Standen, II, 257 vg.

Steenbewerking, I, 596 vg.

Steenen, verwarmde — als geneesmiddel II, 653.

Steenkolen, I, 128 vg.

Stekelvarken, I, 190.

Stempel, — voor munten II, 55; — door goudsmid gebruikt I, 581; — amuletten II, 589; ringen I, 285.

Sterrenbeelden, II, 522 vg.

Stilte, —1■ betrachting II, 114.

Strandbosschen, I, 88, 136; exploitatie der

— II, 124.

Strikken, II, 116 vg.

Suikerriet, — cultuur I, 484 vg.; — pers I, 486. Symboliek, bij echtscheiding I, 199, 255, II, 350, 352; bij het meulakèë aneu' II, 361; bij worgingsstraf II, 393; bij gevangenhouding v. oelèëbalang's door den Soeltan II, 395; in de taal I, 413, II, 404 nt. 2; bij uitbetaling v. h. loon aan den besnijder II, 445; bij afstand v. kinderen II, 567 nt.; kleuren in de — II, 585 nt. 2; bij het meulangga 1, 313; bij oorlogsverklaring I, 314;