is toegevoegd aan uw favorieten.

De idioot

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan toevertrouwd. Er was geen vlek op dien vuilen muur, die ik niet kende. Vervloekte muur! En toch is hij mij dierbaarder dan alle Pavlovsker boomen; dat is te zeggen, hij zou me dierbaarder dan alle zijn, indien mij thans niet alles gelijk ware.

Ik herinner mij nu met welk een heftige belangstelling ik toen hun leven ging volgen; vroeger had ik nooit zoo'n belangstelling gekend. Ik wachtte Kolja soms met ongeduld en schimpwoord, toen ik zelf zoo ziek was geworden, dat ik de kamer niet meer verlaten kon. Ik drong zoo in elke kleinigheid in, interesseerde mij zoo voor elk gerucht dat ik geloof een zwetser te zijn geworden. Ik begreep bijvoorbeeld niet, waarom die menschen, die nog zooveel te leven hebben, niet weten rijk te worden (dat begrijp ik trouwens nog niet). Ik heb een arme gekend, van wien men mij later vertelde, dat hij van honger was gestorven, en ik herinner mij, hoe mij dat buiten mij zelf bracht: als het mogelijk ware geweest dien arme weer tot het leven terug te roepen, dan geloof ik, dat ik hem had vermoord. Soms voelde ik mij heele weken wat beter en kon ik uitgaan, de straat op, maar ten slotte verbitterde mij de straat zoodanig, dat ik opzettelijk mij dagen lang opsloot, al kon ik ook evengoed als de anderen uitgaan. Ik kon dat sluipende, drukke, eeuwig zorgvolle, norsche en onrustige volk, dat rondom mij over het trottoir schuifelde, niet uitstaan. Waarom hun eeuwige kommer, eeuwige onrust en bezigheid, hun eeuwige grimmige slechtheid (want ze zijn slecht, slecht, slecht). Wiens schuld is het, dat zij ongelukkig zijn en niet verstaan te leven, terwijl ze tot zestig jaren toe voor de borst hebben? Waarom heeft Zarnitzin zich van honger laten sterven, terwijl hij nog zestig jaar voor de borst had ? En elk toont zijn lompen, zijn werkhanden, wordt giftig en schreeuwt: „Wij werken als ossen, wij sloven ons af, wij hebben honger als de honden en zijn arm!" (Het eeuwige liedje!) Daar is zoo'n ongelukkige stumper, een „adellijke" die net als zij van den morgen tot den avond loopt en bezig is, Iwan Fomitch Soerikof — hij woont bij ons in huis, leeft