is toegevoegd aan uw favorieten.

De idioot

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elkaar in 't waken af te lossen; er was dus niets te vreezen.

De onrust van den vorst nam echter bij het oogenblik toe. Hij dwaalde door het park, terwijl hij verstrooid rond keek en verwonderd bleef staan toen hij op het terrein voor de muziekuitvoeringen gekomen was en de rijen leege banken en lessenaars voor het orkest zag. Die plaats maakte ergen indruk op hem, en kwam hem uit onbekende oorzaak vreeselijk onbehaaglijk voor. Hij keerde terug, precies denzelfden weg waarlangs hij gisteren met de Jepantschins naar het concert was gegaan, kwam aan de groene bank, hem voor het onderhoud aangewezen, ging er zitten en barstte plotseling in luid gelach uit, waarna hij dan dadelijk een bizonderen weerzin voelde. Zijn droefgeestigheid duurde; hij zou ergens heen willen . . . Maar hij wist niet waarheen. Boven hem zong een vogeltje in den boom en zijn oogen wilden het tusschen het gebladerte zoeken; plotseling vloog het van den boom weg en op het zelfde oogenblik moest hem de „vlieg" weer invallen, in het „hevige zonnelicht", van welke Hippolyt geschreven had, dat ook „zij haar plaats weet en deel heeft aan het algemeene koor, maar dat hij alleen een misbaksel was." Die zin had hem straks al getroffen, dat herinnerde hij zich nu. Een lang vergeten iets fluisterde in hem en kwam hem eensklaps tot bewustzijn.

Dat was geweest in Zwitserland, in het eerste jaar van zijn kuur, zelfs in de eerste maanden. Toen was hij nog bijna volslagen idioot, hij kon zelfs niet goed spreken, en soms niet begrijpen, wat men van hem verlangde. Eens was hij de bergen ingegaan, op een klaren, zonnigen dag en had lang geloopen, met in zich een kwellende, maar geen vorm aannemende gedachte. Vóór hem was de stralende hemel, onder hem het meer, in 't rond de horizon, licht en eindeloos, welks cirkel geen grens kent. Hij bleef lang kijken en had moeite met zichzelf. Thans herinnerde hij zich, hoe hij zijn handen naar dat lichte eindelooze blauw had uitgestrekt en had geschreid. Dit had hem gemarteld : dat hij aan dat alles volkomen vreemd was. Wat was dat dan toch voor gastmaal, wat was dat dan toch