Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ruiters merkten het niet op. De ridder tuurde zwijgend voor zich; de dienaar slaakte binnensmondsche verwenschingen, wanneer zijn manteltje hem klepperend om de ooren sloeg.

Het was, of de wind den spot met hen dreef. Hij wierp den ridder de doode takken naar het hoofd en nam altijd weer opnieuw het manteltje op, uit louter pleizier om zich door den dienaar te laten verwenschen.

Bij het invallen der schemering bereikten de ruiters het slot Leliënburcht. De ridder wierp gemelijk een blik over enkele pas opgeslagen plaggenhutten; daarna gleed zijn oog onwillekeurig over de hechte torens van het slot en de zware, grauwe muren, die statig rezen uit de breede en diepe gracht. Toen klepperden de paardenhoeven hol over het hout van de brug, die nog neer was.

De ridder nam niet de moeite den groet van den grijzen poortwachter te beantwoorden, stak het binnenplein over, sprong van zijn paard en wierp zijn dienaar den rijk gemonteerden toom toe: „Wrijf het goed af en zorg, dat het vreten en drinken krijgt!" En tot een man, die den hoogen bezoeker haastig was tegemoet gesneld: „Waarschuw je meester, dat ridder Egbert van Doornwoud er is!" Nadat hij den riem van zijn zwaard had ingekort, stapte hij de deur van het hoofdgebouw binnen, wachtte met zichtbaar ongeduld in de groote, leege ontvangzaal, met groote schreden driftig heen en weer stappend, zoodat zijn sporen rinkelden.

Intusschen was zijn dienaar met de beide paarden naar den stal gegaan, had ze aan een volle ruif gebonden en den hengst met weinig zorg het schuim van het edele lichaam gewreven. Hij rukte nijdig de door den wind geknakte veer van zijn baret en stapte het bescheiden woonvertrek binnen van Wij brand, den jacht- en stalmeester.

Daar zat men in gezelligen kring om de olielamp. Wijbrand

Sluiten