Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelf, een forsche vijftiger, hield zich bezig met het repareeren van een zilveren valkenkettinkje. Zijn zestien- en zeventienjarige zoons Mans en Wolter waren in druk gesprek gewikkeld met hun vriend Eiko, die op een hoeve buiten het kasteel woonde. De beide broers, krachtig gebouwd als hun vader, hadden grove knuisten; hun steil, vlasblond haar stak grappig af bij de bruingebrande koppen.

Eiko was fijner van leden, maar 'n paar diep liggende, grijze oogen en 'n strakke mond drukten een eigen wil uit, en zijn bewegingen waren vlug en zeker.

Minke, Wijbrand's zestienjarig dochtertje, liet zich door haar jongste broertje Floris helpen bij het ontwarren van een kluwen wol, maar daar de kleine Floris intusschen geen woord wilde verliezen van wat er tusschen zijn broers en Eiko werd verhandeld, was zijn hulp weinig waard...

De binnentredende scheen niet bar welkom te zijn; men keek elkander wat aarzelend aan, en slechts vrouw Beerthe, die aan den avondmaaltijd haar zorgen wijdde, riep: „Kom er maar in, Sjoerd!"

„Ik ben al binnen," antwoordde Sjoerd, de etenslucht opsnuivend, zich aan de tafel zettend en meteen op luidruchtigen toon van wal stekend: „Was me dat rijden! De ouwe leek wel door den duivel bezeten! En we gaan vanavond nog weer terug ook! Waar het goed voor zal zijn, om bij nacht en ontij door die vermaledijde bosschen te rennen?"

„Heb je er al wel eens spoken gezien?" vroeg Eiko.

„Brrrr! Gelukkig niet."

„De bosschen zitten er hier vol van," verzekerde de jongen. „Toen ik van 't voorjaar - 't was op den avond van Maria Lichtmis - van het kasteel naar de boerderij ging, stegen zeven spoken uit de gracht op en dansten om me heen. En een maand geleden zag ik op 'n nacht een vreemd wijf met gloeiende oogen in een eik zitten."

3

Sluiten