Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zullen we ze gaan zoeken?"

„Niet doen," meende Wolter. „Ze liggen hier wel een kwartier vandaan, en Eiko zou niet weten, waar we waren gebleven."

„Waar zou hij zelf zoo lang blijven? - Hé! Hoorde je dat ook? Riep daar iemand?"

„Ik hoor niets," antwoordde Wolter.

„Ik meende toch..."

„Misschien 'n vogel. Hij zal nu wel gauw terugkomen."

Maar Mans werd ongeduldig. „Holla! Eiko!!" riep hij. Geen antwoord. Zijn roep weergalmde door het woud; 'n paar kraaien vlogen stil uit de boomen op.

„Dat is vreemd," zei Wolter. „Zoover zal hij toch niet zijn weggegaan?"

„Laten we den kruiwagen zoolang in het kreupelhout verbergen en hem zoeken," opperde Mans.

Zoo gezegd, zoo gedaan. En de jongens liepen in twee verschillende richtingen het hout in.

„Wolter!!" riep Mans na eenigen tijd plotseling. „Kom eens gauw hier!! Holla, Wolter!!"

Wolter snelde naar zijn broer toe en vond hem gebogen over het lichaam van... Thijs. De grond was door paardenhoeven omwoeld.

„Bewusteloos," zei Mans. „Wat kan er in 's hemelsnaam zijn gebeurd? De paarden op hol geslagen?"

Zwijgend, opgewonden wreven ze den jongen de polsen, schudden hem dooreen. Eindelijk sloeg hij de oogen op en keek wezenloos in het rond. „Waar... waar ben ik... ?"

„In het bosch," antwoordde Wolter. „Daarstraks ben je samen met Rinus uitgereden. Vertel ons vlug wat er is gebeurd."

„Wat er is... is gebeurd... ?" Hij sloot de oogen even; toen voer hem een rilling door het lichaam. „Waar is de jonker?! O, lieve hemel, Wolter, waar is de jonker?!" „De eenige, die dat weten kan, ben jij 1" 46

Sluiten