Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En Bouke verdween een eindje verder in een verlicht poortje, van waaruit stemmengedruisch naar buiten drong.

Terwijl Eiko buiten wachtte, zag hij 'n gestalte uit de deur komen. Vlug dook hij achter een regenton weg: het was de man van de huifkar! Hij passeerde met groote schreden de ton; Eiko hoorde hem in zichzelf brommen.

Toen de kerel het steegje uit was, sprong de jongen op en volgde hem snel, zag hem het binnenpleintje ovetsteken en in een duister buurtje verdwijnen.

Eiko beraadslaagde hevig opgewonden, of hij hem nog verder zou volgen. „Het kan niet!" dacht hij, „ik moet op m'n post blijven voor het geval Bouke me noodig heeft." En hij keerde op zijn schreden terug en wachtte met ongeduld.

Toen Bouke Eiko had verlaten en de deur van de gelagkamer opende, sloeg hem de dranklucht tegen het gelaat. „Je hadt hem de keel moeten dichtknijpen tot hij was gestikt!" riep een dronken boer tegen een man van herculische gestalte, die zich klaar maakte het kroegje te verlaten, „dan zou de zotteklap je dat pond goud wel hebben uitbetaald. Ik zal morgen eens met hem worstelen, met dien vervloekten christenmoordenaar!"

„En ik..." lalde er een, die nauwelijks meer op z'n beenen kon staan, „ik zal 'm... ik zal... z'n tulband..."

Wat verderop waren een paar mannen in 'n zakelijk gesprek, „'n Koe van zeshonderd pond! Zeshonderd, schoon aan den haak!"

Aan een ander tafeltje zaten krijgsknechten te dobbelen. „Twaalf!" riep er een verheugd uit, sloeg met de vuist op tafel en trok de dikke waardin, die met de bekers rondging, op z'n schoot. De bekers kletterden over den grond; de wijn vloeide den soldaat over het gezicht. „Zoo zou ik me nou altijd willen wasschen!" brulde de kerel.

„Betalen!" riep de waard. „Drie volle bekers betalen!" 66

Sluiten