Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en den jonker verkoopen we aan Egbert. Zie je dezen sleutel? Poppetje gezien, kastje gaat dicht. Ra-ra, wat is dat?"

„Poppetje gezien... kastje gaat... hik," lalde Geert, die op weg was om onder het tafeltje te glijden.

„Je denkt zeker, dat ik een woord van je kletspraatjes geloof?" smaalde Bouke.

„Ik denk niets," antwoordde Sjoerd. „Menschen, die geld hebben, hoeven niet meer te denken. Maar als je in het boschje op Ramswoerthe gaat kijken, zul je twee fijne paardjes aan een boompje zien staan. Ze zullen het wel koud... hik... hebben, de arme beestjes! Arme, arme beestjes! Wil je wel gelooven, dat ik de... tranen... Hi-hi daar is Geert ook al omgerold I" lachte hij. „Waard, nog een rondje!" Hij wees op den man van de huifkar en vervolgde: „Die onnoozele hals heeft ons drieën de poort... binnengebracht in z'n kar... hik. Hij wou meer van de zaak weten... maar hij kreeg niets los... M-moet je den ezel daar zien zitten! Melk moest hij hebben en lammetjesp..p..." Sjoerd liet zijn beker vallen, deed een poging om hem op te rapen en rolde daarbij zelf op den grond. Hij mompelde nog wat; bleef liggen...

Bouke glimlachte fijntjes, keek in het rond. De vier kerels aan het venster waren in een zinloos en opgewonden gesprek gewikkeld, sloegen met de vuist op tafel. De waard had de gelagkamer een oogenblik verlaten; Geert snurkte diep; de man van de huifkar... Bouke had niet gemerkt, hoe op het oogenblik, dat Sjoerd omrolde, er van onder de oogleden van den „onnoozelen hals" een snelle blik over het tafeltje was gegleden en hoe de wijdgeopende mond zich een seconde lang tot een grijns had vertrokken.

Buiten naderde hossend een groep mannen. Bouke bedacht zich niet meer, bukte zich, grabbelde in den zak van Sjoerd, tot hij den sleutel had gevonden.

Op dat oogenblik suisde met geweld 'n ijzeren vuist op zijn

75

Sluiten