Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stalboef, dien je eens per dag een kruik water, een homp brood en versch stroo moet bezorgen..."

„Wacht even!" kwam Wubbe tusschenbeide, „nu vergis je je toch! Op het oogenblik bijvoorbeeld heb ik genoeg te doen. Méér dan genoeg! Mijn buik moppert en pruttelt, dat hij zoo vaak heen en weer wordt gesleept. Ik heb een fijnen gevangene, moet je weten, en hij heeft bij mij een leventje als 'n prins. Wat ga je nou weer doen? - moppert mijn buik. - 'n Jong kalkoentje plukken voor den prins. - Laat je me nooit met rust? - Straks kun je uitrusten; ik moet eerst nog wat hout hakken; de prins mag het niet koud hebben. Want, buik, je bent maar een buik, en de prins gaat voor."

Bouke glimlachte, „'t Zou niet slecht voor je zijn, wanneer je wat vaker zoo'n gevangene had! Wie is het in 's hemelsnaam?"

Wubbe keek voor zich uit. „Dat zeg ik liever niet. 't Lekt toch uit, want iedereen weet 't hier. Maar waarom zou juist ik m'n mond branden? Ridder Egbert kan ongemakkelijk zijn, als hij wil. - Ben je er erg nieuwsgierig naar?"

„Wat heb ik er mee te maken?" antwoordde Bouke. „De vraag kwam me zoo maar over de lippen. - Maar in elk geval: de gevangene zal zich op die manier wel in zijn lot kunnen schikken!"

„Dat zou men zoo denken!" zei Wubbe. „Maar 't is niet zoo. Mijn lekkerste soepje roert hij niet aan en snauwt me nog af voor m'n goede bedoelingen, 't Is 'n voornaam heerschap, weet je, en hij is pas aan m'n zorgen toevertrouwd. Weet je, Bouke... wanneer de honger eenmaal aanklopt, is elk mensch als een straathond, die zijn kluifjes desnoods uit de goot opraapt."

„Wubbe," zei Bouke, „ik zou in jouw plaats geen rustig oogenblik hebben."

„Waarom niet?"

„Nou, wanneer die gevangene van jou werkelijk zoo'n voor92

Sluiten