Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dan zou er van de winterrogge niet veel terecht komen. Wat een buien! 't Lijkt wel Maart."

'n Week geleden had hij Klem de vrijheid teruggegeven. Het dier wilde niet vreten, had zich tegen den rand van het hok gedrukt en kwaadaardig gegromd wanneer Eiko eten omlaag wierp door het ronde gat, dat in het dak was aangebracht. Als de jongen naar binnen keek, zag hij in het duister altijd weer diezelfde schuwe oogen, waarin geheimzinnige lichtjes gloeiden; er steeg een vunzige, bedorven lucht uit het hok op, dat nog niet gereinigd kon worden, 's Avonds en den heelen nacht door jankte het gevangen dier in één langen, naargeestigen giltoon, die pas tegen den morgen langzaam verklonk. Eiko merkte, dat hij en z'n vrienden zich vergist hadden toen ze meenden', uit 'n gevangen wolf 'n huis- en speelgenoot te kunnen maken'. De blik uit die gele oogen zou steeds vreemd en vijandig blijvende onaangename geur, die uit het hok opsteeg, was de geur van het wild. Klem was voor de wereld der menschen niet geboren, en het was 'n onrechtvaardigheid, het dier ai wat het bezat: z'n vrijheid, te ontnemen.

Toen dit Eiko eenmaal goed duidelijk was, kon hij het huilen niet meer verdragen; op 'n nacht stond hij op, nam een bijl van de deel en sloeg de vastgenagelde deur van het hok los. Klem glipte als 'n schaduw in het duister weg, nageblaft door Bas.

En Eiko ging voor het eerst weer met een lichter hart te ruste.

De regen begon hinderlijk te worden. Het dak ging hier en daar lekken; Eiko maakte het met riet weer in orde, kroop op het oude, bemoste dak rond, dat sinds vaders dood nog niet om herstel had gevraagd, en liet het maar gieten op zijn doorweekten rug.

De regen overrompelde hem nog op een andere manier: het water drong de deel binnen, waar met opgetrokken pooten en

Sluiten