Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen stap verder, valsche verrader, want mijn dolk zal den weg naar je hart vinden. - Kijk, Barbertje, nu trekt hij zijn tweesnijdend slagzwaard!" Floris verplantte den bezemsteel in 's ridders borst met de punt naar voren.

Barbertje zag in spanning toe bij het tweegevecht, dat thans werd geopend en een ernstig karakter aannam. Floris wist van geen wijken, en ook ridder Egbert bleef aan zijn plaats vastgenageld. De jongen sloop als een kat om hem heen en deed onverwachte en verwoede aanvallen onder uitroepen als: „Sa, schavuit! Daar heb je je deel! Wees op je hoede! Ha-ha, je krachten verzwakken!" Ineens maakte hij een beweging naar zijn rechterarm en riep uit: „Oh;, ik ben gewond! Mijn rechterarm is machteloos. Ik moet met zijn linker doorvechten!" Met het stokje in de linkerhand zette hij het gevecht voort, wist thans zijn tegenstander te ontwapenen; de bezemsteel werd een eind opzij geslingerd. „Ha!" riep Floris, „nu ben je in mijn macht. Blijf staan, zeg ik je, of...!"

Ridder Egbert bleef staan. Maar de knaap greep niettemin den bezemsteel en doorkliefde met een enkelen slag 's ridders hals, zoodat het hoofd over den grond rolde.

„Waarom doe je dat?" vroeg Barbertje verontwaardigd.

„Ik heb hem gewaarschuwd," antwoordde Floris grimmig.

„Maar hij liep toch niet weg?" vroeg Barbertje uit. „Hij kan toch niet wegloopen?! 't Is toch maar een sneeuwman?"

„Nou, stil maar, ik ga een nieuwen maken!" troostte Floris. „Een nog veel mooieren! Ditmaal wordt het Godfried van Bouillon, koning van Jeruzalem!"

En onder het pruilend en wantrouwend toezicht van Barbertje, ontstond de beeltenis van Godfried van Bouillon, sneeuwkoning van den Reigerhof, met zijn groote, eenigszins scheeve oogen van turfvlokken verwonderd neerziend op den kleinen jongen, die hem geschapen had.

108

Sluiten