Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mooie, rechte gestalte na.

Toen schrikte ze uit haar mijmering op, riep Barbertje om haar te helpen bij het bereiden van het middagmaal.

„Hier heb je een helm!" zei Wijbrand, die Eiko dien dag met bijzondere zorg omringde. „Zet maar eens op. En hier zijn je sporen, - ja, geen gouden, hoor! - maar rinkelen doen ze, en daar gaat het toch maar om! Kun je dit zwaard wel optillen? Ziezoo, met zoo'n kolder aan zie je er uit als Richard Leeuwenhart. Kom nou maar eens mee naar den stal: dan zullen we een paard voor je uitzoeken!"

Eiko gespte zich de sporen aan en volgde Wijbrand. Zijn hart bonsde, Nu zou hij eens kunnen toonen wie hij was! Die helm was heelemaal niet zoo zwaar op het hoofd! En met 'n zwaard wist hij al om te gaan.

„Hoe denk je over Bardolf?" vroeg Wijbrand, op een bruinen hengst wijzend.

„Prachtig!" riep Eiko uit. „Ik heb al wel honderdmaal op zijn rug gezeten, hè Bardolf?"

Het paard hief luisterend den mooien kop.

„Zie je wel?" zei Eiko.

„Goed, ik zal 'm voor je zadelen. Ga nu maar naar Wolter, - die wacht al op je."

Wolter zag er al even krijgshaftig uit. Hij was nog grooter dan zijn vriend en maakte in zijn glanzend schubbenjak een kranigen indruk. Mans keek met jaloersche blikken tegen hen op. „Verdikkoppe, Eiko," zei hij, „waarom heb je niet gevraagd of ik ook nog mee mocht?"

„Ik kon toch niet met twee op de proppen komen," antwoordde Eiko. „Maar zeg, wil jij vannacht op de boerderij slapen? We mogen Minke en moeder niet aan haar lot overlaten."

„Natuurlijk niet," zei Mans. „Ik zal er zoometeen heen gaan."

Sluiten