Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijbrand ging naar den stal, waar Mans bezig was de koeien te verzorgen.

„En Eiko?" was Mans' eerste vraag.

Zijn vader bracht hem op de hoogte.

„Ik ga hem bevrijden!" zei Mans opgewonden. „Wolter en ik gaan er samen op uit en rusten niet voor Eiko weer op Reieerhof zit." 6

„Dat zal niet noodig zijn, m'n jongen. De ridder trekt er zelf op uit om aan de willekeur van Doornwoud een einde te maken."

,,'n Beleg?!" riep Mans uit en sprong in de hoogte.

Zijn vader keek zwijgend om zich heen.

Barbertje was bezig broodkruimels te strooien voor een zwerm hongerige musschen en spreeuwen, die haar het voedsel bijna uit de handjes pikten.

„Dag, Wijbrand!" juichte ze met haar hoog stemmetje. „Is Eiko al terug?"

„Die komt, Barbertje, die komt ook gauw..." zei Wijbrand en keerde, met afgewend gelaat, naar het kasteel terug.

Daar heerschte dezelfde bedrijvigheid van enkele weken geleden, toen er voor de eerste maal sprake was van een beleg.

De jachtmeester werd bij zijn burchtheer geroepen, waar hij ook Bouke vond.

„Dus je weigert stellig, nog iets anders van me aan te nemen?" vroeg de ridder den marskramer.

„Heer, ik had u om een paar nieuwe zolen onder m'n schoenen willen vragen, want die heb ik gisteren met eere doorgeloopen. Maar nu ik voortaan niet meer te voet zal hoeven te gaan, slik ik ook dien wensch weer in.

„Wijbrand," zei de ridder met een glimlach, „laat dezen schavuit met zijn versleten zolen in de stallen den mooisten hengst uitzoeken, dien ik bezit."

145

Sluiten