Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe dat karweitje vannacht zal afloopen!" zei Jan Zoet.

„Ja zeker!" schreeuwde Jan Paridaan, zich het bierschuim van de lippen vegend, „ja zeker! Mooi is ze niet en jong is ze ook niet, maar misschien weet ze meer van wat er tusschen hemel en aarde is, dan Kaatje van achter de deur of Truitje van den bakker."

De waarzegster nam gichelend den zwarten kater op, die naast den haard lag te slapen, en pookte, onder het prevelen van tooverspreuken, in het vuur. De kater op haar arm miauwde klagend, maar de oude plooide haar schelle stem tot zoo vleiende naampjes, dat het dier ten slotte begon te spinnen.

Allen, op Sjoerd na, die lijkwit op zijn stoel was gezakt, hadden zich om haar heen geschaard.

„Fluks, vertel mij en poesje wat jullie gaan doen, vannacht'" siste de waarzegster. „Ik zie helder als in een sterrenhemel. Vlug! Vóór de mist weer komt opzetten!"

„We willen het slot Leliënburcht overrompelen," gromde Jan Zoet. „Zeg ons maar eens, of het lukken zal!"

„Hu-hu! O! Brrrr!

Te vroeg! Beter later! Vuur is geen water, Water geen vuur. De toekomst is guur...

Verder! Fluks! Fluks! Fluks 'n beetje!"

„Verder niets," zei Geert. „We steken den boel in brand, en Egbert doet tegelijk 'n uitval."

„Hu hu! De hel is boordevol. Er worden tien brandstichters verwacht. Stookt het vuur wat aan! Hu!

Zevenmaal zeven, Zevenmaal geschreven. Dood of leven om het even... Acht en tachtig achten. Tot morgen moet je wachten I

I83

Sluiten