Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lucht stond vol sterren. Het paard snoof; de hoeven stampten vaste stukjes aarde uit den harden grond.

Bouke's gedachten joegen wild als hijzelf er op los. Leliënburcht in vlammen! Ridder Egbert een uitval! Niet slecht bedacht! Ik waarschuw eerst vrouwe Martha, steek dwars de hei over: die kerels zullen den dijk wel volgen. Dan naar Doornwoud om hulp te halen en de schavuiten in te rekenen... „Beijaard, houd er den gang in! Ik kan nog 'n uur vóór dat gespuis in Leliënburcht zijn, - alles hangt maar van jou af, beesttje!" Hij klopte den hengst vertrouwelijk op den zwaren hals; het dier versnelde zijn gang nog: de hoeven raakten nauwelijks meer den grond.

Een halfuur later zag Bouke de silhouet van het kasteel zich afteekenen tegen den helderen hemel. Hij galoppeerde door tot aan de gracht en liet de bel bij de valbrug galmen.

„Ik ben het! Bouke, de kramer! Laat me er gauw in!"

„Niet zoo heetgebakerd, heerschap!" antwoordde 'n wantrouwende stem, en achter het uitkijkpoortje dook 'n gelaat op. „Morgen is er weer een dag! Je bent Bouke, de kramer, zeg je. Maar ik vraag: waar is dan je mars?"

„Ik kom niet om zaken te doen! Laat me er in, Tinus! Ik heb belangrijke tijding!"

„Dat je m'n naam kent, is nog geen bewijs, dat je werkelijk Bouke, de kramer, bent," zei Tinus voorzichtig.

„Goed, wie ik dan ook ben, luister ten minste naar me. Er zijn vanavond tien schavuiten op weg om dit kasteel te overrompelen."

„Daar ben jij er zeker een van," opperde Tinus. „Dan zou ik je toch niet eerst waarschuwen, stuk eigenwijsheid!"

„Als je nog meer hebt, fluister het je knol dan maar in 't oor!" zei Tinus driftig en verdween achter het tralievenstertje.

189

Sluiten