Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Onnoodig? De ridder zal er z'n reden wel voor hebben, dat hij jullie hier verzamelen laat."

,,'n Uitval zeker! Maar wanneer, dat zal ons benieuwen!"

„Ik kan 't jullie nu wel zeggen: zoodra Leliënburcht in vlammen opgaat."

„Of zoodra de zon en de maan samen uit wandelen gaan..." Ridder Egbert ijsbeerde in zijn groot woonvertrek op en neer en wachtte met ongeduld op het oogenblik, waarop men hem de tijding zou brengen, dat in het oosten een uitslaande brand den hemel rood zou verven. Hij was in volle wapenrusting; zijn slagzwaard stond voor het grijpen.

Het spookte in z'n brein. Leliënburcht, dat sind lang gehate slot, in vlammen! Het lag er sterk en machtig; het was de kroon op de vruchtbare landstreek van de Vecht, maar het vuur zou vannacht aan die glorie 'n einde maken! Leliënburcht: reeds 'n doorn in het oog van zijn voorvaderen, en hoeveel ergernis had het hem zelf al bezorgd! Tusschen volk en heer alles doorloopend koek en ei; - hoe kon het ook anders, als Otto er voor op handen en voeten kroop! Het land leverde dubbel zooveel koren op als de magere, dorre velden om Doornwoud, waar in de laatste jaren, alsof de drommel ermee speelde, daarenboven telkens weer ratten en ziekten den oogst bedierven. Het was ook een stomme streek van die jaloersche voorvaderen geweest om op dezen grond, waar men ellen diep moest graven om op iets beters te stuiten dan drogen zandgrond, een slot te bouwen! Waarom hadden ze het niet midden in de Vecht gezet?! Aan beide oevers vette klei, een tol op de voorbijgaande schepen, en een beleg zou... Ha-ha! Hij zag al, hoe zijn belegeraars dan op dit oogenblik op het glibberige ijs zouden kampeeren! Geen beschutting tegen den wind, en een onnoozel vuurtje zou het ijs onder hen doen smelten. Dan zou hij met zijn mannen de dappere Leliënburchters nog moeten opvisschen! Ik heb beet! Een kabeljauw! Snoek! 202

Sluiten