Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hand dan anders, zoodat ze door overdadig vertroetelen je boos humeur tracht te verdrijven. Als ze de kamer uit is, en je zeker weet, dat ze niet door het sleutelgat loert, kun je stiekem in je handen wrijven. Maar niet als ze er bij is, dikke! Nóóit!" „Je bent een hardvochtig man," zei Wubbe. „Juist! Een man! Geen spons, die tranen weent, als je er in knijpt. - En nu wat de keuze betreft: wees daar voorzichtig mee! Neem geen meisje tot vrouw, dat al te goed praten kan, want ze zal je later heelemaal niet meer aan het woord laten komen. Neem ook geen meisje tot vrouw, dat den heelen lieven dag achter een gordijntje kantwerkjes stikt en van louter deugdzaamheid zwijgt alsof ze een eed had gedaan, nooit met eenig man een woord te wisselen. Ze zal je huis óók tot een kantwerkje maken, waarin jij niet meer dan een vuile vlek bent. Neen, man! Je moet er eentje hebben, die lacht, wanneer de zon schijnt, en nog harder lacht wanneer de regen met bakken uit den hemel valt. Een meisje, dat nog zingt wanneer ieder ander aan het huilen zou slaan! Snap je wat ik bedoel?"

„Jawel..." aarzelde Wubbe, „alleen dat lachen... wanneer het regent... Waarom moet ze dat nou weer doen?" „Je bent een kalkoenenei! - Maar ken je Kaatje Zoet?" „De hemel kan het getuigen, Bouke! 'n Knappe meid!" „Juist. En jij een knappe jongen, wanneer je buik weg is." „Dat is óók zoo," zei Wubbe. „Dus die moet ik nemen?" „Ho-ho," lachte Bouke, „die laat zich niet plukken als een bloemetje in de wei! Veroveren moet je haar! Als het gaat, stormenderhand. Maar anders sla je geduldig het beleg voor haar hart op. Dan komt het op taai volhouden aan, dikke, want de aanhouder wint!"

„Bouke, ik heb een ijzeren geduld!" riep Wubbe. - En tegen Dirk, die langzaam kwam aanslenteren, pakte hij uit: „Dirk, ik ga trouwen! Met een meisje, dat lacht als het regent!"

„Trouwen?" knorde Dirk. „Een tante zaliger van mij zei 218

Sluiten