Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Si, signore!, bevestigde de oude. Maar de macchiavelden.... néén, die ben ik niet doorgetrokken.

i—■ Omdat daar de Faun woont?, vroeg Mike. Pietro knikte.

—■ MVoont hij er, dan kunnen wij hem vinden, vervolgde Mike.

■—■ En dan zullen wij hem vinden, voltooide Jim. De oude man lachte. Eerst zachtjes, hartelijk, vol heimelijk plezier, zoodat zijn dikke buik langzaam daalde en rees onder zijn samengevouwen handen; dan lachte hij plotseling luidop, vol spot en de rug van zijn hand veegde de tranen uit zijn oogen weg. ■—■ O, signori 1.... Jullie vreemdelingen toch].... Wij hooren wel den Faun; . . . . wij hooren wel dat zijn fluit klinkt in de bosschen, maar wij hooren óók wat de zeewind ons vertelt van onze broeders die ginds, reeds lange jaren slapen onder de eeuwige sneeuw.... en wij hooren uit de muziek der manestralen de verloren geschiedenis van de wonderstad. Wij hooren den Faunl Ja!, vreemdelingen. . . . maar wij zagen hem nooit!

Hij boog zich voorover en mompelde, nu eensklaps ernstig:

— De Faun is geen wezen van vleesch en bloed signori, zooals gij en ik! En zoo hij het wél is, wij wéten het niet want wij zagen hem nooit. En hoe zoudt gij, die niet hóóren kunt, iets kunnen zien dat voor óns verborgen blijft!

Pietro richtte zich weer op en reikte, plotseling onverklaarbaar tevreden over zich zelf, naar de

Sluiten